Skip to main content

Auteur: Fleur Varin

Even voorstellen: Rieke Huysmans

Mijn naam is Rieke Huysmans. Ik ben 19 jaar en woon in het dorp Kruisland, in de provincie Noord-Brabant. Op dit moment studeer ik Bedrijfskunde aan Fontys Hogeschool in Tilburg.

Mijn interesse in het landelijk en agrarisch vastgoed

Sinds september 2025 volg ik de minor Landelijk en Agrarisch Vastgoed aan Aeres Hogeschool in Dronten. Mijn interesse voor dit vakgebied is ontstaan dankzij mijn vader (red.: Arno Huysmans), die als rentmeester werkt. Ik hoorde vroeger vaak dat hij veel op pad was naar boeren en dat sprak mij aan. Daardoor werd ik nieuwsgierig naar wat zijn vakgebied precies inhoudt. Door het volgen van deze minor krijg ik nu de kans om het werk van dichtbij te ervaren.

Praktijkervaring tijdens mijn stage bij Overwater

Voor deze minor loop ik in totaal 25 dagen stage bij Overwater. Op die manier krijg ik meer inzicht in dit vak. Ik ga zo vaak mogelijk mee met collega’s naar klanten, wat voor mij als beginneling erg leerzaam is. Daarnaast werk ik voor mijn studie aan twee opdrachten: een omgevingsanalyse en een taxatierapport. Ook hierdoor doe ik veel kennis op en herken ik steeds meer wanneer ik in de praktijk met verschillende collega’s meega.

Met deze stage wil ik onderzoeken of het werk binnen het landelijk en agrarisch vastgoed bij mij past en of ik mij hier in de toekomst verder in wil ontwikkelen. Ik kijk erg uit naar de rest van mijn stageperiode!

Even voorstellen: Roy de Bruijne

Mijn naam is Roy de Bruijne, ik ben 21 jaar en woon zowel in Oud-Beijerland als in Zuid-Beijerland. Ik studeer Landelijk Vastgoed en Makelaardij aan Aeres Hogeschool in Dronten. Momenteel ben ik bezig met mijn derde leerjaar.

Hoe ik bij Overwater terechtkwam

Ik ben bij het Rentmeesterskantoor terechtgekomen doordat ik in mijn vorige schooljaar een opdracht heb mogen uitvoeren bij het kantoor onder begeleiding van Pieter Kerkstra. Dat beviel zo goed, dat ik nu mijn stage hier mag lopen.

Tijdens mijn stage ben ik vijf dagen per week aanwezig en houd ik mij met zoveel mogelijk verschillende aspecten van het vakgebied bezig. Zo hoop ik aan het einde van mijn stage een zo volledig mogelijk beeld van het vak te hebben.

Mijn werkzaamheden bestaan onder meer uit:

  • meegaan met bedrijfsbezoeken en adviesgesprekken,
  • meekijken bij taxaties,
  • omgevingsplannen analyseren,
  • beheerplannen doornemen,
  • actuele ontwikkelingen binnen de agrarische sector volgen, etc.

Wat ik wil leren

Tijdens deze stage wil ik me verder verdiepen in de administratie- en beheersystemen die gebruikt worden, juridische aspecten, klantcontact en de veelzijdigheid van het rentmeestersvak.

Over mij

In mijn vrije tijd sport ik fanatiek. Ik loop hard, fiets, zwem en doe aan krachttraining. Daarnaast help ik zoveel mogelijk mee op ons akkerbouwbedrijf in Zuid-Beijerland, samen met mijn vader.

In de toekomst hoop ik de boerderij voort te zetten, gecombineerd met een rol binnen de rentmeesterij of makelaardij in het agrarisch vastgoed – of een andere specialisatie binnen het vakgebied.

Ik verheug me op het leren van nieuwe dingen om zo stap voor stap mijn vakkennis uit te bouwen en toe te passen. Dat gaat helemaal goedkomen!

Doelsturing in Brabants stikstofbeleid

Brabant gooit het stikstofroer om: boeren krijgen ruimte voor vakmanschap

De provincie Noord-Brabant zette jarenlang in op het terugdringen van stikstofuitstoot via stalemissiereductie. De focus lag op technische maatregelen in stallen. Tot vorige week…

Het oude stallenbeleid: veel techniek, weinig vertrouwen

Brabant gooit het oude stallenbeleid resoluut overboord. De inzet van dat beleid was het terugdringen van ammoniakuitstoot uit stallen met landbouwhuisdieren. Of het nu ging om varkens-, pluimvee- of (melk)rundveestallen: als ze ouder waren dan vijftien of twintig jaar, moesten ze worden gemoderniseerd.

Maar deze aanpak bleek in de praktijk allesbehalve succesvol. De technieken werkten niet altijd zoals beloofd, de juridische houdbaarheid ervan was twijfelachtig, en het vertrouwen onder veehouders raakte ernstig beschadigd. Tijd dus voor een rigoureuze koerswijziging. En geef het provinciebestuur eens ongelijk.

Doelsturing: ruimte voor vakmanschap en maatwerk

Bovenaan het nieuwe beleidsdocument prijkt straks in koeienletters: DOELSTURING.

Een term die klinkt als een frisse wind, maar wat betekent het eigenlijk? Kort gezegd: niet langer voorschrijven hóe boeren hun stikstofuitstoot moeten verminderen, maar wél vastleggen wát ze moeten bereiken. Het gaat om het doel, niet om de methode.

Veehouders krijgen de ruimte om hun vakmanschap in te zetten en zelf te bepalen hoe ze emissies reduceren. Of dat nu via managementmaatregelen, mestaanpak of andere innovatieve oplossingen is.

Een gedurfde aanpak, dat zeker. En ja, het beleid behoeft nog nadere uitwerking. Maar de politieke wil om het stikstofprobleem écht aan te pakken is eindelijk voelbaar. En dat is winst.

Juridische strijd ondermijnt vertrouwen

Veehouders hebben zich altijd bereid getoond om mee te denken en mee te werken aan oplossingen. Toch werd bij vergunningverlening nauwelijks rekening gehouden met hun bedrijfsvoering – niet op het erf, niet op de landbouwgronden, en ook niet met de maatregelen die zij zelf wilden inzetten. Alles draaide om staltechniek.

En juist die techniek bleek keer op keer juridisch kwetsbaar. Wie een emissiereducerende techniek toepaste, kon erop rekenen dat hij vroeg of laat in een juridische procedure belandde. De werking van staltechnieken is inmiddels een vast onderdeel van rechtszaken geworden.

Een beleid dat uitsluitend leunde op techniek, waarvan de effectiviteit juridisch werd betwist, leidde tot groot wantrouwen onder veehouders. Het geloof in het behalen van emissie- en natuurdoelen verdween als sneeuw voor de zon.

Vertrouwen als basis

Met het nieuwe doelsturingsbeleid krijgen veehouders eindelijk de kans om hun vakmanschap te tonen. Zij zullen bewijzen dat doelsturing bij hen in goede handen is. Het is een aanpak die lef vraagt van de overheid, maar ook vertrouwen geeft aan de sector.

Een koerswijziging met potentie. En met draagvlak onder veehouders.

De toenemende druk op de grond in Nederland

Als je het mij vraagt staat Nederland al jarenlang bekend als dat kleine kikkerlandje waar geen vierkante meter onbenut blijft. Waar we ooit land wonnen op de zee, lijkt de ruimte ons nu langzaam door de vingers te glippen. Van woningbouw tot natuurherstel, van infrastructuur tot energietransitie – de strijd om de vierkante meter is hevig. Ruimtegebrek en grondhonger zijn termen die vandaag de dag heel actueel zijn.

De druk op de Nederlandse grond is de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen – en daarmee ook de prijs. Deze ontwikkeling heeft grote gevolgen voor diverse sectoren, waaronder voor de agrarische sector. Wij als rentmeesterskantoor zijn nauw betrokken in dit spanningsveld.

Grondprijzen blijven stijgen

De waarde van landbouwgrond in Nederland is al jarenlang aan een gestage opmars bezig.
De gemiddelde agrarische grondprijs in Nederland ligt inmiddels al hoger dan € 90.000 per hectare.
Vijf jaar geleden, in 2020, was dat gemiddelde nog geen € 65.000 per hectare. Deze stijging wordt gevoed door een combinatie van verschillende factoren:

1. Veranderende regelgeving

  • Veehouders kopen extra grond om hun bedrijfsvoering te verduurzamen en emissies te beperken.
  • De behoefte aan mestafzetruimte: de druk om grond te hebben voor mestplaatsing blijft groot.

2. Verstedelijking en woningbouw

  • Ruimtelijke druk op landbouwpercelen aan de rand van steden/dorpen door woningbouw en bedrijventerreinen.
  • Niet-agrarische kopers zoals gemeenten en projectontwikkelaars kopen grond met het oog op toekomstige bouw en drijven daarmee de prijzen op.

3. Opbrengsten in de landbouw

  • Hogere opbrengsten stimuleren investeren in eigen grond.

4. Schaarste aan landbouwgrond

  • Totaal areaal landbouwgrond krimpt nog altijd.
  • Beperkt aanbod van nabijgelegen percelen.
  • De schaarste van beschikbare grond vergroot de concurrentie.

5. Natuurherstel en stikstofbeleid

  • Overheden kopen grond voor natuurontwikkeling (bijv. Natuur Netwerk Nederland).
  • Boeren die stoppen verkopen steeds vaker aan niet-agrarische partijen.

6. Speculatie / belegging

  • Beleggers en particuliere investeerders stappen in, omdat grond steeds aantrekkelijker wordt als (waardevaste) investering.

Hoe is de grond in Nederland verdeeld?

Nederland heeft een totale oppervlakte van ongeveer 41.543 km², wat overeenkomt met 4.154.300 hectare. Deze oppervlakte omvat zowel land als water.

Volgens het CBS bestaat ongeveer 54% van het Nederlandse landoppervlak uit landbouwgrond, waarvan het grootste deel wordt gebruikt voor akkerbouw, grasland en tuinbouw.

Verder bestaat ongeveer 13% van Nederland uit bebouwing en infrastructuur.

Het overige deel (zo’n 34%) bestaat uit natuur, water en recreatie. De verwachting is dat het aandeel natuur in de toekomst verder zal gaan oplopen. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) moet Nederland de komende 25 jaar 20-30% meer natuur aanleggen om Europese doelen voor biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaat te halen. Als je kijkt naar de huidige verdeling van Nederland zoals hierboven omschreven, kan het bijna niet anders dan dat dit ten koste zal gaan van het aandeel landbouwgrond.

De rol van de rentmeester: bruggenbouwer tussen beleid en praktijk

De rentmeester is van oudsher de beheerder van landgoederen en agrarische gronden, maar zijn of haar rol is in de afgelopen decennia sterk verbreed. Tegenwoordig is de rentmeester een strategisch adviseur op het snijvlak van economie, landbouw, ecologie en ruimtelijke ordening.

Een rentmeester helpt grondeigenaren om keuzes te maken die zowel economisch als maatschappelijk verantwoord zijn. Wij vinden het als rentmeesterskantoor dan ook van groot belang om kennis te blijven vergaren over de actualiteiten en ontwikkelingen met betrekking tot wet- en regelgeving, marktontwikkelingen en gebiedsprocessen. Met deze kennis maken we de vertaalslag tussen beleid en de praktijk.
We zorgen er in ons vak voor dat belangen van verschillende partijen op elkaar worden afgestemd, met als doel een toekomstbestendig gebruik van de schaarse ruimte.

Conclusie

De onzekerheid in het toekomstige (landbouw)beleid is één van de bepalende factoren voor hoe de grondmarkt en de verdeling van de ruimte in Nederland zich verder gaat ontwikkelen. Nieuwe regelgeving kan de landbouwfunctie van bepaalde gronden fors gaan beperken, wat vermoedelijk zijn invloed gaat hebben op de agrarische grondprijs in specifieke regio’s. 
 
Toch is de verwachting dat de gemiddelde agrarische grondprijs voorlopig blijft stijgen. Die stijging geldt vooral voor kwalitatief goede landbouwgrond met beschikbaarheid van water. Met een sterke vraag en een beperkte beschikbaarheid, blijft dat soort grond een waardevaste en interessante investering.

Los van de prijs zal de druk op de grond in Nederland de komende jaren in ieder geval niet zomaar gaan afnemen.
 

De wolf en de zeven geitjes – en zijn terugkeer naar Nederland

Wie kent het sprookje niet? De wolf die listig de deur van het geitenhuis opent en chaos veroorzaakt. Generaties lang heeft dit verhaal ons beeld van de wolf gevormd: sluw, gevaarlijk, een roofdier dat niet te vertrouwen is. Maar sprookjes zijn geen werkelijkheid. Toch roept de herintreding van de wolf in Nederland vergelijkbare emoties op – van fascinatie tot bezorgdheid.

In deze blog besteed ik aandacht aan de herintreding van de wolf in Nederland, met cijfers, voor- en nadelen en een verwachting voor de toekomst.

Van sprookje naar realiteit – de wolf in cijfers

Na meer dan een eeuw afwezigheid is de wolf terug in ons land. Rond 1900 verdween hij uit Nederland, vooral door jacht en verlies van leefgebied. In 2015 werd de eerste wolf weer gespot, in 2018 vestigde de eerste wolf op de Noord-Veluwe en begin 2019 voegde zich hier een tweede wolf bij. Dit paartje kreeg sinds 2019 ieder jaar jongen en sindsdien groeit het aantal gestaag. In ons land zijn op dit moment 15 of 16 wolvenleefgebieden, bestaande uit 13 of 14 roedels en enkele solitaire wolven (bron: BIJ12).

De terugkeer van de wolf is geen toeval. In Europa is de soort beschermd onder de Habitatrichtlijn, waardoor jacht verboden is. Daarnaast zijn natuurgebieden beter verbonden, en er is voldoende prooi zoals reeën en wilde zwijnen. Nederland vormt een schakel in deze Europese ecologische netwerken.

Op basis van wolvenwaarnemingen komen wolven (zowel gevestigde roedels als solitaire wolven) voor in de provincies: Groningen, Friesland, Drenthe, Gelderland, Utrecht, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. Het ontbreken van gemelde wolvenwaarnemingen in de andere provincies is geen garantie dat de wolf daar inmiddels ook niet aanwezig is, sterker nog: het is onwaarschijnlijk dat de wolf zich niet over alle provincies zal verspreiden of inmiddels verspreid heeft.

De impact op mens en dier

De komst van de wolf brengt vragen met zich mee. Boeren maken zich zorgen over hun vee, natuurorganisaties zien kansen voor biodiversiteit. Er zijn subsidies voor het plaatsen van wolfwerende rasters, en er wordt gewerkt aan voorlichting om conflicten te voorkomen.

Sinds de terugkeer van de wolf in Nederland is de schade aan landbouwdieren aanzienlijk toegenomen. Volgens BIJ12 zijn er in 2024 maar liefst 795 aanvallen op landbouwdieren geregistreerd, waarbij 2445 dieren zijn gedood. Het gaat vooral om schapen, maar ook geiten, pony’s, alpaca’s en incidenteel veulens en runderen. In 2023 waren dat nog 426 aanvallen en 1417 gedode dieren, wat een stijging van ruim 86% betekent.

De provincies waar de meeste schade optreedt zijn Gelderland, Friesland en Drenthe, met enkele grote incidenten waarbij tientallen dieren in één nacht werden gedood.

Bram – de grote boze probleemwolf

Het incident waarbij wolf ‘Bram’ een kind verwondde, en wereldnieuws in Nederland werd, zorgde voor een schokgolf in Nederland. Tot dat moment werd de discussie over wolven vooral gevoerd in termen van ecologie en landbouwschade. ‘Bram’ kreeg weliswaar de meeste media aandacht, maar dit incident staat niet op zich. Zo zijn er in 2025 meldingen van bijtincidenten op de Hoge Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug en werd een boer uit Drenthe in 2023 bij een poging een wolf te verjagen in zijn arm gebeten.

Bram is inmiddels betiteld als ‘probleemwolf’, op 23 juli 2025 (2 maanden na het bijtincident) gaf de voorzieningenrechter groen licht om de vergunning tot het doden van Bram uit te voeren. Ondanks deze toestemming is Bram (voor zover bekend) nog niet gedood.  

Wat betekent de herintroductie van de wolf voor Nederland?

De herintreding van de wolf vraagt om balans. Hoe beschermen we landbouwbelangen én natuurwaarden? Hoe zorgen we dat angst niet overheerst, en verliezen we de feiten niet uit het oog? Beleidsmakers, ecologen en burgers zoeken samen naar antwoorden.

De verwachting is dat de wolvenpopulatie de komende jaren verder zal groeien, hopelijk binnen duidelijke ecologische en juridische grenzen, en brengt zowel kansen als uitdagingen. Voorstanders zien de wolf als een symbool van biodiversiteit en natuurlijke processen, terwijl tegenstanders zich zorgen maken over veeschade, veiligheid en kosten.

Het debat is nog lang niet voorbij, maar één ding lijkt zeker: de wolf is terug, en hij blijft voorlopig.

Nieuw pachtrecht neemt concrete vormen aan

In de afgelopen jaren is veel gediscussieerd over een nieuw te vormen pachtrecht. Het huidige pachtbeleid sluit niet (meer) aan op de agrarische praktijk. Vernieuwde pachtwetgeving zou duurzaamheid, langdurige zekerheid voor de pachter en rendement voor de verpachter beter moeten waarborgen. Demissionair staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Jean Rummenie, heeft op 3 juli 2025 in een brief aan de Kamer concrete wijzigingen voorgesteld.

langlopende pachtovereenkomsten

Zowel bij pachters als verpachters bestaat de wens om landbouwgrond langdurig in gebruik te geven. In het huidige pachtstelsel kan dat uitsluitend op basis van een pachtprijs gelijk aan de regionorm. In de praktijk leidt dit tot beperkt rendement voor verpachters waardoor langdurige pachtovereenkomsten niet of nauwelijks worden afgesloten. Bestaande reguliere pachtovereenkomsten blijven ook in het nieuwe stelstel ongewijzigd.

Voor nieuw overeen te komen reguliere pachtcontracten is de pachtprijs vrij te bepalen waarbij de prijs is gekoppeld aan een agrarische prijsindexatie. De overige bepalingen van reguliere pachtovereenkomsten, zoals indeplaatsstelling- en continuatierecht blijven ongewijzigd.

Rummenie stelt in zijn brief ook een nieuwe langlopende pachtvorm voor: duurzame langlopende pacht. Deze pachtvorm, af te sluiten voor los land en gebouwen, heeft een minimale duur van 24 jaar en is eindig. Het continuatierecht geldt hier dus niet. De pachtprijs is vrij overeen te komen en is eveneens gekoppeld aan een agrarische prijsindexatie.

De huidige pachtwetgeving ziet toe op alle agrarische ingebruikgeving tot 25 jaar. Doordat de minimale looptijd van duurzame langlopende pacht op 24 jaar wordt gesteld, maar dus ook langer mogelijk is, komt deze termijn van 25 jaar in het geding. Rummenie stelt voor om de termijn voor pachtwetgeving op te rekken naar 35 jaar. Dit zou als gevolg hebben dat agrarische erfpacht, wat buiten de pachtwetgeving staat, voor minimaal 36 jaar moeten worden afgesloten.

kortlopende pachtovereenkomsten

In bepaalde situaties is het wenselijk om landbouwgrond of agrarische gebouwen slechts voor een korte periode in gebruik te geven. In het huidige stelstel wordt voor los land geliberaliseerde pacht veelvuldig gebruikt, waarbij er tot maximaal 6 jaar een vrije pachtprijs kan worden overeengekomen. Volgens veel partijen in het debat leidt dit tot onwenselijke situaties waarbij er te weinig oog is voor lange termijn effecten en duurzaamheid.

Rummenie beoogt dit een halt toe te roepen door de pachtprijs bij kortdurende pacht te maximaliseren op de regionorm. Deze kortlopende pachtvorm is voor maximaal 12 jaar af te sluiten. Wanneer er korter dan 12 jaar wordt overeengekomen is de maximale pachtprijs lager dan de regionorm. Hoe langer de termijn, hoe hoger de maximale pachtprijs. De term ‘geliberaliseerd’ wordt, logischerwijs, niet meer genoemd.

Teeltpacht blijft grotendeels ongewijzigd. Deze pachtvorm met een vrije pachtprijs is voor maximaal 2 jaar af te sluiten voor gewassen die teeltrotatie behoeven. Er zal een lijst worden opgesteld met gewassen die volgens de wetgever geen teeltrotatie behoeven en daardoor niet in aanmerking komen voor deze pachtvorm.

Bedrijfsmatigheidstoets

Voor alle pachtvormen, behoudens teeltpacht, wordt een bedrijfsmatigheidstoets ingevoerd. Deze toets wordt van belang bij indeplaatsstelling en op het moment dat de pachter de AOW-leeftijd bereikt. Op verzoek van de verpachter, moet de pachter aantonen dat de pachtgrond door de pachter bedrijfsmatig, agrarisch wordt gebruikt.

Duurzaamheidsafspraken

Op vrijwillige basis moeten verpachters en pachters meer mogelijkheden krijgen om afspraken te maken over duurzaam gebruik van de pachtgronden. De staatssecretaris stelt voor om een lijst op te stellen met toegestane duurzaamheidsvoorwaarden. Met behulp van deze lijst, worden dan de duurzaamheidsbepalingen in pachtovereenkomsten getoetst door de grondkamer.

Vervolg

Het is goed om te zien dat er concrete voorstellen liggen voor een vernieuwd pachtrecht. De politieke discussie rondom het onderwerp lijkt grotendeels geklaard en momenteel wordt een wetsvoorstel voorbereid.

De langlopende pachtvormen lijken op dit momenteel kansrijk voor zowel pachter als verpachter. Echter, voor de kortlopende pacht lijkt zich een knelpunt te ontwikkelen doordat er een maximale (vaak lage) pachtprijs gehanteerd dient te worden.

Dit rijmt niet met de praktijk waarbij de pachtprijs een belangrijk selectiecriterium is bij zowel publieke als private verpachters. Het is immers van groot belang om met het pachtstelsel vraag en aanbod bij elkaar te kunnen brengen om de toestroom naar risicovolle grijze pacht een halt toe te roepen.

Natuurinclusief boeren door de ogen van een junior rentmeester

Als junior-rentmeester hoor ik de term natuurinclusief boeren vaak voorbij komen in mijn dagelijkse werk. Het is een vorm van landbouw waarbij, naast productie, ook nadrukkelijk wordt gekeken naar gezonde bodems, biodiversiteit en klimaat.

Agrariërs zorgen natuurlijk altijd zorgvuldig voor hun land: zonder een goede bodem is er geen opbrengst. Dit roept bij mij de vraag op: waarom is natuurinclusief boeren nodig, als een agrariër al zorgvuldig met zijn land omgaat?

Op het eerste gezicht lijkt dit een terechte vraag. Het verschil zit in het doel van het beheer. Gangbare landbouw richt zich vooral op voldoende opbrengst en verzorgt de bodem voor dat doel. Natuurinclusief boeren gaat verder: het combineert productief beheer met maatregelen die bijdragen aan biodiversiteit, bodemkwaliteit en klimaatbestendigheid op de lange termijn.

Voordelen voor natuur en wild

Natuurinclusief boeren biedt niet alleen voordelen voor de bodem en de gewassen, maar ook voor insecten en wild in en rond landbouwgebieden.

Bijen zijn voor de land- en tuinbouw belangrijk. Reeën, hazen en allerlei vogelsoorten vinden in kruidenrijke graslanden, houtwallen en akkerranden voedsel en beschutting.

Waar grote monoculturen minder leefruimte bieden, zorgt afwisseling in het landschap voor een gevarieerd geheel van leefgebieden. Dit komt niet alleen de dieren ten goede, maar kan het landschap ook aantrekkelijker maken voor mensen en recreatie.

Wat is natuurinclusief boeren?

Het concept natuurinclusief boeren is rond 2014 door het ministerie van Landbouw geïntroduceerd, met als doel landbouw en natuur dichter bij elkaar te brengen. Kort gezegd betekent het dat agrariërs productief blijven, maar tegelijkertijd meer rekening houden met natuur, landschap en biodiversiteit.

Vergeleken met gangbare landbouw houdt dit vaak in: minder kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, meer variatie in gewassen of graslanden, en ruimte voor landschapselementen zoals heggen en houtwallen.

Het onderwerp is in 2025 nog steeds actueel door het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), de aandacht voor biodiversiteit en de toenemende duurzaamheidseisen in pachtvoorwaarden.

Wat betekent dit voor de rol van de rentmeester?

Voor rentmeesters en grondeigenaren heeft natuurinclusief boeren steeds meer invloed op pacht en samenwerking:

1. Pachtvoorwaarden
Het komt voor dat pachtovereenkomsten duurzaamheidscriteria bevatten. Voorbeelden zijn het inzaaien van een bepaald percentage kruidenrijk grasland of afspraken over het gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen.

Soms zijn er beloningen voor pachters die investeren in natuurvriendelijke maatregelen, zoals langere contracten, wat automatisch voordelen oplevert voor pachters die deze maatregelen nemen.

Daarnaast kan de score van een bedrijf binnen het GLB, bijvoorbeeld goud, een belangrijke rol spelen.

2. Relatie met de pachter
De samenwerking verandert. Waar vroeger vooral werd gekeken naar naleving van regels, is nu meer gesprek nodig over wat haalbaar is, hoe de wensen van de verpachter aansluiten bij de agrarische bedrijfsvoering en hoe de grondeigenaar daarin kan ondersteunen. Vertrouwen en wederzijds begrip zijn daarbij cruciaal.

3. Rol van de rentmeester
Als rentmeester sta je tussen beleid en praktijk. Overheden en natuurorganisaties formuleren ambities, terwijl pachters zich richten op hun dagelijkse werkzaamheden op het land. De uitdaging is die werelden te verbinden: beleid vertalen naar realistische afspraken en zorgen dat agrariërs zich gehoord voelen.

Wat valt mij op als junior?

Wat mij opvalt, is de grote variatie in natuurinclusief boeren. Er is geen vast concept; het is een verzameling principes dat elke agrariër op zijn eigen manier invult. Sommige pachters zijn enthousiast en experimenteren graag, terwijl anderen meer volgend zijn en op een ander moment natuurinclusieve maatregelen nemen.

Juist die verschillen maken duidelijk dat natuurinclusief boeren maatwerk is, waarbij iedere agrariër zijn eigen weg kiest.

De hoogste tijd voor de vergunningvrije verduurzamings-activiteit?

Naar aanleiding van de Kamerbrief ‘Startpakket Nederland van het slot’ van 25 april 2025, ligt van 25 augustus tot en met 5 oktober 2025 een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) ter consultatie. Iedereen kan hierop reageren. Het gaat om de ‘AMvB vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten’ (hierna: ‘AMvB’)

BBB heeft genoeg van het eindeloze gedraal

We zijn er na 6,5 jaar (!) nog altijd niet in geslaagd om de stikstofpuzzel met elkaar op te lossen. Maar, er lijkt een lichtpuntje waarneembaar, want de AMvB lijkt een stapje in de goede richting te zijn. Daarbij zijn de economie, natuur en (het vestigingsklimaat voor) de bedrijvigheid in Nederland gebaat.

Laten we deze AMvB omarmen als het begin van het einde van het tijdperk, waarin de stikstofproblematiek nagenoeg onveranderd groot in stand is gebleven. Dit, ondanks alle goedbedoelde intenties van velen.

Doel van de AMvB

Het doel van de AMvB is om verduurzamingsactiviteiten mogelijk te maken, ook al leiden deze tijdelijk tot een hogere emissie.

Criteria voor vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten

Een activiteit kwalificeert als ‘vergunningvrije verduurzamingsactiviteit’, wanneer de activiteit voldoet aan onderstaande criteria:

  • Minimaal 30% reductie van de oorspronkelijke stikstofemissie van de bestaande activiteit. Het percentage kan nog wijzigen als gevolg van een nadere ecologische onderbouwing;
  • Toename van stikstofemissie is toegestaan bij de realisatiefase, mits deze tijdelijk is (hoogstens drie jaar) en niet meer dan vijfmaal de emissiereductie is na wijziging van de bestaande activiteit;
  • De activiteit mag niet gepaard gaan met uitbreiding in omvang van de bestaande activiteit, voor zover omvang verband houdt met stikstofemissie;
  • De activiteit mag niet door andere factoren significante nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000.

Relatie met natuurvergunningen

De activiteiten die zijn gericht op stikstofreductie worden beschouwd als maatregelen voor de natuur die zijn uitgezonderd van de natuurvergunningplicht.

De AMvB draagt bij aan de verduurzaming van projecten die al een natuurvergunning hebben en richt zich op activiteiten die leiden tot vermindering van stikstofemissie, zonder dat sprake is van uitbreiding in omvang van de activiteit, want dan kan een activiteit als ‘beheer van een gebied’ worden beschouwd.

Er is dan ook sprake van aanpassing van een bestaand project ex artikel 6.3 Hbr, waarvoor geen nieuwe omgevingsvergunning benodigd/vereist is.

Winstwaarschuwing: geen uitbreiding met stikstofruimte

Een winstwaarschuwing ten aanzien van de ‘stikstofwinst’ die wordt behaald met emissiereductie: de emissiereductieruimte die als gevolg hiervan ontstaat mag niet worden opgevuld met uitbreiding in omvang.

Innovatie: noodzakelijk maar kostbaar

Bovenstaande lijkt in het licht van doelmatigheid van de AMvB logisch, maar innoveren in emissie- reducerende technieken drukt aanzienlijk op de kostprijs. Daarom het volgende:

  • Investeren in innovatie is veelal een kostbare aangelegenheid.
    Als verduurzaming niet met uitbreiding mag worden bekostigd (hetgeen met het oog op doelmatigheid van de AMvB niet onredelijk lijkt) is het nodig dat de overheid ervoor zorgt dat er voldoende subsidiebudget en -(keuze)mogelijkheden bestaan.
    De aard en omvang van huidige stikstofbronnen zijn immers zeer divers, daarom is het gewenst om maatwerk te bieden, om stikstofreductie via de AMvB tot een succesverhaal te maken.

  • Veel marktpartijen willen graag stikstof reduceren, maar veelal luidt de vraag: hoe dat te doen?
    De investering in innovatie moet juridisch geborgd zijn. De resultaten van innovatie worden regelmatig in twijfel getrokken.
    Echter, innovatie is altijd een van de sleutels tot succes geweest in en voor Nederland. Het behouden of zelfs versterken van voldoende innovatiekracht is belangrijk, voor nu en in de toekomst.
    Daarom is het van belang dat ook de overheid zich blijft inzetten voor erkenning en ontwikkeling van nieuwe emissie reducerende technieken. Anders zijn we binnen de kortste keren uit-gereduceerd.

Voorbeelden van emissiereducerende technieken

Voorbeelden van de emissie reducerende technieken zijn Lely Sphere (rundveehouderij), maar ook bijvoorbeeld naverbranders, gaswassers of biofilters (industrie).

Vragen?

Als u vragen heeft over stikstof neemt u dan contact op met onze deskundigen.

Taxatie agrarisch vastgoed: deskundige waardering en advies voor het buitengebied

Wat is taxatie van onroerend goed?

Taxeren van onroerend goed is een essentieel proces binnen de vastgoedmarkt. Een betrouwbare taxatie is onmisbaar bij belangrijke vastgoedbeslissingen. Of het nu gaat om aankoop, verkoop of herontwikkeling.

Een deskundige taxateur bepaalt de marktwaarde van een object op basis van factoren zoals locatie, staat van het gebouw, recente verkoopprijzen van vergelijkbare objecten en economische ontwikkelingen.

Wanneer is een taxatierapport nodig?

Een taxatierapport is vaak nodig bij de aankoop van een woning, het verkrijgen van een hypotheek, het vaststellen van de WOZ-waarde, bij fiscale doeleinden of bij juridische procedures zoals scheidingen en nalatenschappen.

Specialisatie van Overwater Rentmeesters

Taxateurs moeten gecertificeerd zijn en werken volgens vastgestelde richtlijnen om objectiviteit en betrouwbaarheid te garanderen. Er zijn verschillende methoden van taxeren, zoals de vergelijkingsmethode, de inkomstenbenadering en de kostenbenadering, afhankelijk van het type onroerend goed.

De taxateurs van Overwater Rentmeesterkantoor zijn gespecialiseerd in onroerende zaken in het buitengebied. Met name de agrarische sector speelt daarbij een grote rol en verder alles wat in het buitengebied voorkomt, denk aan woonboerderijen, natuurontwikkeling en uitbreidingslocaties voor o.a. woningbouw, wegen of bedrijventerrein.

Belangrijkste werkzaamheden

Enkele belangrijke taken die wij uitvoeren zijn:

  • Waardebepaling van agrarisch vastgoed: dit omvat boerderijen, landbouwgrond, stallen en andere agrarische gebouwen. De taxateur beoordeelt factoren zoals bodemkwaliteit, infrastructuur en bestemmingsplannen.
  • Uitvoeren van bezichtigingen: de taxateur inspecteert het pand fysiek om de staat en eventuele bijzonderheden vast te stellen.
  • Opstellen van taxatierapporten: een gedetailleerd rapport wordt opgesteld waarin de waarde van het vastgoed wordt onderbouwd. Bij elke taxatie komt een tweede taxateur in beeld. Het kan gaan om een opname waarbij twee taxateurs betrokken zijn óf een taxatie waarbij een validatieproces volgt: in dit laatste geval controleert de tweede taxateur vanuit het bureau de taxatie van de eerste taxateur.
  • Marktanalyse: een taxateur houdt rekening met marktontwikkelingen, zoals vraag en aanbod in de agrarische sector en de daarbij behorende regelgeving.
  • Juridische en fiscale beoordeling: agrarisch vastgoed heeft vaak specifieke juridische en fiscale aspecten, zoals pachtcontracten en erfpachtconstructies.
  • Advies aan boeren en investeerders: taxateurs helpen agrariërs en investeerders bij het nemen van strategische beslissingen over hun vastgoed.
  • Bijhouden van marktontwikkelingen: om accuraat te blijven, volgt een taxateur de vastgoedmarkt en economische trends op de voet.

Kwaliteitsborging en lidmaatschappen

Een taxateur moet aan verschillende kwalificaties voldoen om professioneel vastgoed te kunnen taxeren. Hier zijn enkele belangrijke vereisten:

  • Opleiding: een taxateur moet minimaal een hbo-opleiding hebben gevolgd in een relevante richting, zoals vastgoedkunde of bedrijfseconomie.
  • Certificering: erkende taxateurs zijn gecertificeerd door het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (NRVT), dat toezicht houdt op de vakbekwaamheid en integriteit van taxateurs. Dit register stelt uniforme eisen aan toelating, educatie en doorlopend toezicht.
  • Ervaring: praktische ervaring in de vastgoedsector is essentieel. Vaak moeten taxateurs een aantal jaren werkervaring hebben voordat ze volledig gecertificeerd worden.
  • Ethiek en regelgeving: taxateurs moeten zich houden aan strikte ethische richtlijnen en regelgeving, zoals de International Valuation Standards (IVS) en de European Valuation Standards (EVS).
  • Voortdurende bijscholing: om hun certificering te behouden, moeten taxateurs regelmatig bijscholing volgen en op de hoogte blijven van marktontwikkelingen.

Naast bovengenoemde certificering, zijn de taxateurs van Overwater Rentmeesterkantoor ook verbonden aan de NVR (Nederlandse Vereniging van Rentmeesters) en de NVM (Nederlandse Vereniging van Makelaars en Taxateurs). Beide organisaties werken met strikte kwaliteitsnormen voor de taxateur.

Waarom kiezen voor Overwater Rentmeesters?

Met onze diepgaande kennis van het buitengebied, jarenlange ervaring en erkende certificeringen bent u verzekerd van een betrouwbare taxatie en helder advies. Neem vandaag nog contact met ons op – wij denken graag met u mee.

Waarom grondprijzen in uitleggebieden vrijwel nooit het probleem zijn

In het debat over de woningbouwopgave in Nederland gaat het vaak over geld. Over stijgende bouwkosten, over betaalbaarheid van woningen, en ook over de grondprijs. Maar wie dagelijks in de praktijk werkt aan de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties, met name in uitleggebieden, weet dat de prijs van de grond zelden de reden is waarom projecten stilvallen. Het echte knelpunt? De eindeloos durende procedures, als het al zover komt dat een gemeente van de provincie toestemming krijgt om in een agrarisch gebied woningen te realiseren.

De misvatting over ‘te dure grond’

Er leeft een hardnekkig idee dat woningbouw stokt omdat ontwikkelaars en gemeenten er niet uitkomen over de grondprijs. Dat grondeigenaren onredelijke bedragen vragen, dat marktpartijen speculatief kopen, of dat marktpartijen te veel willen verdienen aan de grondexploitatie. Maar in uitleggebieden, gebieden aan de randen van steden en dorpen, bedoeld voor stedelijke uitbreiding speelt dat vrijwel nooit de hoofdrol. Waarom niet?

Omdat grond in uitleggebieden vaak nog een agrarische functie heeft. De waarde van die grond vóór herontwikkeling is relatief veel lager dan in stedelijke gebieden of verouderde bedrijventerreinen. Zelfs met een forse meerwaarde door toekomstige woningbouwontwikkeling, blijft de verhouding tussen aankoopkosten en uiteindelijke woningopbrengst gunstig genoeg voor een gezonde exploitatie. Zeker als het gebied goed ontsloten is en voldoende schaalgrootte kent, zoals meestal het geval is. Een marktpartij zal een grondpositie immers pas kopen als hij weet dat hij die grondwaarde ook terug kan verdienen. Om die reden zal hij niet meer willen betalen dan dat de grond, rekening houdend met alle vervolginvesteringen en programma eisen, kan opbrengen. Natuurlijk ken ik ook voorbeelden van gebieden waar ‘te veel’ voor de grond is betaald om een gezonde gebiedsexploitatie te bewerkstelligen. Maar in verreweg de meeste gebieden is dit niet het geval. 

Waar het dan misgaat? In één woord: tijd.

De doorlooptijd van planvormingstrajecten is in Nederland dramatisch lang. Van de eerste verkenning tot de eerste paal gaan vaak 7 tot 10 jaar voorbij – en dat is als alles voorspoedig verloopt. Daarbij gaat het niet alleen om de bestemmingsplanprocedure, maar ook om goedkeuring van de provincie, stikstofberekeningen, participatietrajecten, bezwaarprocedures, juridische onzekerheden en overleg met tientallen stakeholders.

Vooral het gebrek aan regie en snelheid in bestuurlijke besluitvorming is de reden waarom er op dit moment te weinig woningen worden gerealiseerd. Gemeenten zijn vaak onderbemand, provincies stellen steeds hogere eisen, en het Rijk bemoeit zich te weinig of te laat. De wet- en regelgeving stapelt zich op, terwijl de urgentie van de woningnood juist vraagt om, uiteraard met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, versimpeling en versnelling.

De planbatenheffing helpt niet – sterker nog, ze vertraagt

In dit licht is het opvallend dat het debat zich recent weer richt op het invoeren van een vorm van planbatenheffing: een instrument waarmee de overheid een deel van de grondwaardestijging bij herbestemming wil afromen. Het idee is begrijpelijk, er is publieke waardecreatie, dus een deel van de baten moet terug naar de samenleving. Maar in de praktijk is het risico groot dat het tegenovergestelde effect wordt bereikt.

De invoering van zo’n regeling brengt juridisch complexe vraagstukken met zich mee en leidt vrijwel zeker tot onzekerheid en vertraging. Grondeigenaren zullen afwachten, procedures worden risicovoller en partijen zijn minder bereid om te investeren in het voortraject. En dat terwijl we juist nú snelheid nodig hebben.

Bovendien geldt: als de invoering van een planbatenheffing daadwerkelijk doorgaat, leidt dat vrijwel zeker tot nog méér vertraging en hogere uitvoeringskosten. Alleen al het bepalen van de hoogte van de heffing per perceel vergt een ingewikkelde, juridische en taxatie-technische exercitie. Er gaan discussies ontstaan over uitgangspunten, referentiewaarden en verdelingsvraagstukken. De ervaring leert: dat leidt tot procedures, onzekerheid en extra ambtelijke belasting. Precies wat we er op dit moment níet bij kunnen hebben.

Geen realisme in het opbrengstdenken

In dit verband werd door het FD in de eerste week van juni verwezen naar het artikel “Een planbatenheffing kan gemeenten veel opleveren” geschreven door twee economen van DNB. Het artikel schetst hoge potentiële opbrengsten voor gemeenten bij invoering van zo’n heffing. Wat daarbij echter ontbreekt, is een realistische inschatting van de keerzijden: het artikel gaat uitsluitend in op de theoretische maximale opbrengsten, en laat mogelijke tegenvallers, uitvoeringsproblemen en gedragseffecten volledig buiten beschouwing. Dit erkennen de schrijvers in hun artikel overigens zelf ook, alleen het FD neemt alleen de genoemde 8 miljard aan opbrengsten mee in haar artikel.

Daarnaast wordt in het artikel bijvoorbeeld geen rekening gehouden met het feit dat zo’n heffing in de praktijk vaak beperkt zal moeten blijven vanwege proportionaliteit, rechtszekerheid en politieke haalbaarheid. Het onderzoek en het artikel houden bovendien geen rekening met het gegeven dat veel uitleggebieden in de randstad betrekking hebben op (voormalige) glastuinbouwgebieden, die weliswaar een agrarische bestemming hebben, maar op grond van die bestemming een veel hogere waarde vertegenwoordigen dan de gebruikte referentie in het onderzoek.

Ook wordt voorbijgegaan aan het risico dat agrarische grondeigenaren, geconfronteerd met een nieuwe heffing en extra onzekerheid, eenvoudigweg besluiten om hun gronden níet (meer) te verkopen. Daarmee stokt de grondmobilisatie, met direct effect op de woningbouwambitie.

De gevolgen van traagheid

Wat betekent dit voor partijen die wel willen bouwen? Zij moeten nu al jarenlang wachten op duidelijkheid, nemen enorme planologische en financiële risico’s en investeren miljoenen in voortrajecten zonder zekerheid over realisatie. Als we blijven denken dat de grondprijs het probleem is en dat er daardoor een planbatenheffing moet worden ingevoerd dan zullen partijen voorzichtiger zijn met het doen van voornoemde investeringen. Dit heeft nog meer vertragingen tot gevolg, want de overheden hebben niet de capaciteit en de financiële middelen om de voorinvesteringen te doen.

Bovendien werkt het tijdsprobleem als een zichzelf versterkend mechanisme: hoe langer het duurt, hoe groter de kans dat marktomstandigheden veranderen, regelgeving wijzigt of stakeholders van koers veranderen. Gevolg: nóg meer vertraging, nóg hogere kosten, en uiteindelijk: uitstel of afstel

Wat moet er anders?

De oplossing ligt dus niet in het verlagen van de grondprijs – die is zelden het struikelblok. Wat nodig is:

  1. Snellere procedures: kortere doorlooptijden, heldere beslismomenten en minder ruimte voor juridisering met behoud van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
  2. Meer regie vanuit het Rijk: bijvoorbeeld via een versnellingsteam of landelijke vereenvoudiging van wetgeving.
  3. Heldere ruimtelijke keuzes: niet blijven praten over ‘waar we willen bouwen’, maar duidelijke knopen doorhakken.
  4. Duidelijke ontwikkelkaders per gebied. Dan zijn marktpartijen ook niet geneigd om te veel voor de grond te betalen.
  5. Betere ambtelijke capaciteit bij gemeenten en provincies: zodat plannen sneller beoordeeld en opgepakt kunnen worden.

Conclusie

De woningbouwopgave van Nederland zit niet vast op grondprijzen. Die zijn in uitleggebieden zelden het probleem. De echte bottleneck is het systeem: traag, complex en overgereguleerd.

Willen we echt opschalen, dan moet de focus liggen op het versnellen van planvorming en besluitvorming. Het introduceren van een planbatenheffing is misschien politiek aantrekkelijk, maar draagt op korte termijn niet bij aan versnelling – integendeel: het zal zorgen voor vertraging, hogere uitvoeringskosten en minder initiatief. Tijd is nu onze grootste vijand – en daar moeten we de strijd mee aangaan.