Overslaan en naar de inhoud gaan

Auteur: Fleur Varin

Wie onzekerheid zaait, oogst stilstand

Als rentmeester houd ik mij regelmatig bezig met het stikstofdossier. Niet alleen vanuit mijn werk, maar ook vanuit mijn achtergrond. Ik ben opgegroeid op een veehouderij en heb een agrarische opleiding gevolgd. Voor mij gaat stikstof niet alleen over modellen, vergunningen of natuurdoelen. Het gaat over ondernemers, grond, investeringen en de toekomst van het buitengebied.

Met de Kamerbrief “Weer ruimte voor boer, natuur en bouw” van 26 juni 2026 kiest het kabinet een nieuwe koers. De focus verschuift van depositiedoelen naar emissiedoelen, waarbij vergunningverlening, natuurherstel en landbouwontwikkeling nadrukkelijk met elkaar worden verbonden. Dat klinkt technisch, maar de gevolgen kunnen groot zijn. Hierna stip ik een aantal punten aan uit de Kamerbrief.

Stikstof gaat niet meer over stikstof

Een misvatting is dat stikstof alleen of vooral een vergunningendossier is. Dat stadium zijn we voorbij. Het dossier raakt inmiddels rechtstreeks aan grondwaarde, bedrijfsontwikkeling, gebiedsprocessen, financieringsmogelijkheden en investeringszekerheid. Juist daarom is dit onderwerp voor rentmeesters zo relevant. Het stikstofdossier heeft zich ontwikkeld van een technisch-juridisch vraagstuk tot een integraal gebiedsdossier, waarin ook thema’s als grond, waarderingen, water en fosfaat een belangrijke rol spelen.

De Kamerbrief onderkent dat ook. Het kabinet kiest nadrukkelijk voor een samenhangend pakket waarin emissiereductie, natuurherstel, grondgebruik en vergunningverlening niet langer los van elkaar worden benaderd, maar integraal worden bezien.

Emissieruimte wordt een waardefactor

De meest ingrijpende wijziging is wat mij betreft de introductie van bedrijfsspecifieke emissienormen. Voor de melkveehouderij wordt emissie gekoppeld aan fosfaatrechten en voor andere sectoren volgen vergelijkbare normen. Daarmee ontstaat een nieuwe realiteit. Jarenlang werd de waarde van een landbouwbedrijf bepaald door grond, gebouwen en productierechten. De komende jaren komt daar een vierde factor bij: emissieruimte(s), waarbij in de Kamerbrief wordt gesproken over koppeling daarvan aan grond, gebouwen en productierechten. Twee melkveebedrijven met dezelfde oppervlakte en hetzelfde aantal dieren kunnen straks een verschillende waarde vertegenwoordigen, afhankelijk van hun emissiepositie, reductiepotentieel en vergunningen.

Dat is een ontwikkeling die iedere ondernemer, geldverstrekker en adviseur serieus moet nemen.

Grond wordt opnieuw schaars en strategisch

Minstens zo interessant is de keuze voor grondgebondenheid en extensivering. Het kabinet wil toewerken naar een norm van 2,6 GVE (grootvee-eenheid) per hectare en zet rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden nadrukkelijk in op extensivering van de landbouw.

Voor de praktijk betekent het dat grond nóg belangrijker wordt. Extra hectares zijn straks niet alleen nodig voor productieruimte, maar ook om te voldoen aan milieunormen, vergunningseisen en toekomstig ondernemerschap. Daardoor gaan grondruil, strategische verwerving, pachtsituaties, afwaardering van grond en gebiedsgerichte samenwerking verder aan betekenis winnen. Ook dat zien we terug in de uitwerking van de Kamerbrief en de gebiedsgerichte aanpak die het kabinet voor ogen heeft.

Vertrouwen blijft de zwakke plek

Toch zit er ook een ongemakkelijke kant aan deze brief. Het kabinet spreekt over perspectief en ontwikkelmogelijkheden. Tegelijkertijd vragen veel ondernemers zich af of zij kunnen vertrouwen op toezeggingen en de houdbaarheid van overheidsbesluiten. De recente discussies over het mogelijk intrekken van natuurvergunningen in Noord-Brabant laten zien dat bestaande vergunningen niet onaantastbaar zijn en in specifieke situaties ingetrokken kunnen worden.

Dat vraagt om realisme van ondernemers en van de overheid. Een ondernemer die jarenlang investeert, innoveert en deelneemt aan gebiedsprocessen, moet erop kunnen vertrouwen dat zijn inspanningen op basis van de dan geldende wet- en regelgeving kunnen renderen. Vertrouwen is geen zachte factor meer. Vertrouwen is een economische randvoorwaarde geworden. En het stikstofdossier laat zien dat in de afgelopen jaren onzekerheid en onduidelijkheid de boventoon hebben gevoerd, terwijl duidelijkheid over ‘de stip op de horizon’ een randvoorwaarde is om te kunnen ondernemen.

Van sturen op modellen naar sturen op resultaat

De positieve kant van de Kamerbrief is dat het kabinet meer ruimte lijkt te willen geven aan ondernemerschap. Het uitgangspunt verschuift steeds meer naar doelsturing: niet langer uitsluitend voorschrijven hóe een ondernemer moet reduceren, maar vooral vastleggen welk resultaat moet worden gehaald en de uitvoering overlaten aan de ondernemer. Dat sluit beter aan bij de praktijk op het erf. Agrarische ondernemers verschillen nu eenmaal van elkaar. De ene ondernemer kiest voor managementmaatregelen, een ander voor techniek, extensivering, omschakeling of samenwerking. Die ruimte voor vakmanschap is een gezonde ontwikkeling als de spelregels helder, meetbaar en juridisch houdbaar zijn.

Tot slot

De Kamerbrief van 26 juni 2026 lost het stikstofprobleem niet op. Daarvoor zijn de opgaven te groot en de belangen te divers. Voor het eerst in lange tijd is er een opzet om vergunningverlening, landbouw, natuur en gebiedsontwikkeling in samenhang te benaderen. Dat maakt deze brief relevanter dan veel voorgaande stikstofdocumenten.

Tegelijkertijd zal het succes uiteindelijk niet worden bepaald door de omvang van het fonds, het aantal pagina’s van de Kamerbrief of de politieke ambities in Den Haag. Het succes wordt vooral bepaald op het boerenerf, aan de keukentafel en in het gebied. Daar waar ondernemers (al dan niet onvrijwillig) moeten besluiten of zij willen investeren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of doorgaan. Geef ondernemers de tijd en duidelijkheid die nodig zijn om te investeren en bied een geloofwaardig toekomstperspectief.

En juist daar ligt volgens mij de echte uitdaging: niet alleen stikstof reduceren, maar vooral weer vertrouwen en perspectief organiseren. Dat is uiteindelijk waar agrarische ondernemers, natuur én samenleving het meest bij gebaat zijn.

Het belang van voldoende zoet water voor de landbouw

Nederland kent een hoogproductieve landbouw. Agrarische ondernemers realiseren hoge producties in de akkerbouw, (melk)veehouderij, fruitteelt, glastuinbouw en andere sectoren.

Water is voor deze sectoren een essentiële productiefactor. Water zorgt voor groei door opname van voedingsstoffen en opbrengstvorming. In Nederland neemt het belang van de beschikbaarheid van zoet water voor plantaardige productie voortdurend toe. In deze blog komen een aantal aspecten aan de orde.

Klimaatverandering

We ervaren dat de zomers warmer en droger worden. Steeds vaker kennen we langere periodes zonder regen en hogere temperaturen dan we gewend zijn.

Om landbouwgewassen aan de groei te houden en te beschermen tegen verdroging, is de beschikbaarheid van zoet water steeds belangrijker geworden. De mogelijkheid om een gewas te kunnen beregenen uit oppervlaktewater of grondwater kan bepalend zijn voor het wel of niet realiseren van voldoende opbrengst.

Die beschikbaarheid van zoet water staat onder druk doordat er minder regen valt in bepaalde periodes en door minder aanvoer van zoet water uit het buitenland door de rivieren. Deze aanvoer neemt af door minder regen en minder sneeuw in het achterland van Nederland.

Verzilting

Met het afnemen van de hoeveelheid zoet water neemt het risico op verzilting toe. De aanwezigheid van zoet water in het watersysteem vormt een barrière tegen de druk van zout water uit de ondergrond of uit de zee. Dit is vooral aan de orde in de kustgebieden.

Als het water in sloten, grondwater of beregeningswater te zout wordt, kunnen gewassen schade oplopen en is het water niet geschikt voor beregening. Waterschappen nemen dan ook maatregelen om verzilting van het water tegen te gaan.

Deze maatregelen zien op het vasthouden en inlaten van zoet water in de peilgebieden om tegendruk te geven aan zoute kwel. Dat inlaten van zoet water komt in een periode van droogte onder druk te staan door een lagere aanvoer van zoet water door de grote rivieren. En door het wegvallen van die waterstroom, kan het zoute water vanuit de zee verder landinwaarts komen, de zogenaamde zouttongen. Op het moment dat een zouttong een inlaatpunt van zoet water bereikt, is dit inlaatpunt niet meer bruikbaar. Dit zet vervolgens de beschikbaarheid van zoet water in de achterliggende gebieden onder druk.

Waterbeheer

Van oorsprong is het watersysteem in het landelijk gebied vooral gericht op het voorkomen van wateroverlast door hemelwater af te voeren. Via drainage, greppels, sloten, hoofdwatergangen, poldergemalen naar de rivieren en uiteindelijk de zee in. In de loop van de jaren is er meer aandacht gekomen voor verdroging door lagere grondwaterstanden en nu ook door afnemende regenval in de zomer. Maatregelen worden genomen om water in gebieden vast te houden. Dit heeft meerdere kanten.

Vasthouden geeft water tijd om in de grond te zakken en daarmee het grondwater aan te vullen. Vasthouden voorkomt in bepaalde gebieden daling van het maaiveld. En in tijden van overvloedige regenval is met het vasthouden van water de afvoer te reguleren en daarmee wateroverlast elders te voorkomen.

Waterbeheer in de landbouw

De agrarische sector treft maatregelen om in droge perioden te kunnen beschikken over voldoende zoet water. Vooral in gebieden waar geen of beperkt oppervlaktewater aanwezig is om te beregenen, investeren agrariërs in voorzieningen, waarvan hieronder enkele voorbeelden worden gegeven.

Peilgestuurde drainage

Met peilgestuurde drainage wordt water niet alleen afgevoerd, maar is het ook mogelijk om een deel van het water vast te houden in de bodem. Het drainagesysteem wordt zo aangepast dat het niveau waarop het water wordt afgevoerd, gestuurd kan worden. Een stap verder is dat via drainagebuizen water wordt aangevoerd in de bodem.

Waterbassins als voorraad

Agrariërs investeren in de aanleg van waterbassins. Deze bassins worden gevuld in de periode dat er een overschot aan water is. In perioden van droogte is dit water beschikbaar voor beregening. Afhankelijk van de verkaveling wordt het water gedistribueerd met leidingen of transport over de weg.

Zoetwaterbellen benutten

Een praktijksituatie is een akkerbouwer die drainwater infiltreert in een zoetwaterbel in de bodem. In het kort komt het erop neer dat drainagewater wordt verzameld en bij voldoende kwaliteit geïnfiltreerd wordt in de bodem. Voor beregening wordt dit water later weer via een bron opgepompt en op het land gebracht.

Slimmer beregenen

Het beregenen van gewassen met het waterkanon of sproeiboom is bekend. Met deze methoden wordt het water volvelds opgebracht. Door aanpassing van het teeltsysteem kan heel efficiënt met water worden omgegaan.

In de glastuinbouw is het gebruikelijk om heel specifiek het water bij het plantje te brengen. Een soortgelijke methodiek is in opkomst bij de teelt van zaaiuien. Met het zaaien van de uien worden waterslangen in het zaaibed gelegd. Deze slangen worden aangesloten op een centrale unit die vervolgens het water met de benodigde meststoffen distribueert naar het zaadje en later het plantje. Op deze wijze worden water en meststoffen zeer efficiënt ingezet. Onderzocht wordt of een dergelijk systeem ook bruikbaar is in andere gewassen.

Gewaskeuze als strategie

Het teeltplan heeft invloed op de behoefte aan water. Een gewas als wintertarwe is over het algemeen voldoende ontwikkeld op het moment dat er een eventuele droge periode in de zomer komt.

Van zaaiuien is bekend dat akkerbouwers in Zeeland dit gewas niet meer telen vanwege het ontbreken van water voor beregening; het is in droge jaren moeilijk om zonder beregening een volwaardig gewas te telen. Zo maakt iedere plantenteler keuzes binnen de mogelijkheden die er zijn.

Onderzoek wordt gedaan naar gewassen die in het najaar worden gezaaid of geplant en oogstrijp zijn op het moment dat droge perioden aanbreken. Een andere ontwikkeling betreft onderzoek naar de zouttolerantie van gewassen. Zijn er gewassen beschikbaar die onder zoutere omstandigheden kunnen groeien of een hoger zoutgehalte in het water verdragen?

Zoet water als strategische factor voor de landbouw

Zoet water vormt de basis van een groot deel van onze landbouwproductie. Om gewassen te kunnen telen die voldoende produceren en weerbaar zijn tegen ziekten en plagen, is zoet water essentieel.

Afhankelijk van het gebied waar de agrariër het bedrijf exploiteert, zijn er mogelijkheden om op bedrijfsniveau in te spelen op veranderende weersomstandigheden. In onze praktijk zien we ook een goede samenwerking tussen agrariërs en waterschappen om een voldoende aanbod van zoet water te hebben voor beregening.

Voor beleggers in landbouwgrond is de beschikbaarheid van zoet water bij een landbouwperceel steeds vaker een factor die wordt meegewogen bij de aankoop van grond.

Verder zien we in 2026 dat de landbouw moet concurreren met andere partijen om zoet water: om verzilting en daling van het grondwater tegen te gaan, stellen waterschappen regionaal beregeningsverboden in met alle gevolgen van dien voor de gewassen op het land. Het watersysteem ontwikkelt zich van een afvoersysteem ook naar een systeem van waterberging en watervoorziening.

Uit de Praktijk: meer dan grondverwerving in Valkenhorst

Uit de Praktijk: Meer dan grondverwerving in Valkenhorst

Gebiedsontwikkeling is een vak van de lange adem. Dat blijkt wel uit de gebiedsontwikkeling Valkenhorst in de gemeente Katwijk. De plannen voor de herontwikkeling van het voormalige Marinevliegkamp Valkenburg bestaan al bijna twintig jaar. Overwater raakte in 2017 betrokken bij het project en groeide vervolgens uit tot een vaste partner bij verwerving, stikstofvraagstukken, planvorming en beheer.

Nu de ontwikkeling van circa 5.600 woningen daadwerkelijk van start kan gaan, kijken wij terug op een traject waarin wij als rentmeester veel meer deden dan alleen grondverwerving. Valkenhorst wordt één van de grootste woningbouwlocaties van Nederland, gerealiseerd op het terrein van het voormalige Marinevliegkamp Valkenburg.

Een monumentale boerderij als startpunt

Onze betrokkenheid begon met de aankoop van de monumentale melkveehouderij aan de Oude Broekweg 35. Een karakteristieke boerderij die onderdeel uitmaakt van het toekomstige plangebied. Op dat moment leek het een gebruikelijke verwerving. In werkelijkheid bleek dit de eerste stap in een traject waarin wij regelmatig buiten de gebaande paden moesten denken. Na de aankoop werd steeds duidelijker dat de ontwikkeling niet alleen draaide om het verwerven van gronden, maar ook om het zorgvuldig beheren van de bestaande situatie en het behouden van de uitgangspunten waarop het bestemmingsplan was gebaseerd.

Toen de rentmeester veehouder werd

Eén van de meest bijzondere momenten ontstond tijdens de planvorming en na het buiten werking stellen van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Om de uitgangspunten van het bestemmingsplan en de bijbehorende stikstofonderbouwing overeind te houden, was het essentieel dat de agrarische bedrijfsvoering op de locatie werd voortgezet.

Samen met een agrariër uit de omgeving, van wie wij eveneens gronden en gebouwen hadden aangekocht voor onze opdrachtgever, hebben wij daarom de exploitatie van het bedrijf voortgezet.

Dat betekende dat wij ons niet alleen bezighielden met grondverwerving, beheer van het onroerend goed, vergunningen en planvorming, maar ook met de aankoop van koeien, de organisatie van voer, het beheer van het bedrijf en uiteindelijk de verkoop van het vee.

Dat zijn werkzaamheden die je normaal gesproken niet direct associeert met het vak van rentmeester. Toch laat dit voorbeeld zien hoe belangrijk het is om de praktijk van het landelijk gebied te begrijpen. Soms vraagt een project om oplossingen die je vooraf niet had kunnen bedenken.

Stikstof als cruciale schakel

In de jaren die volgden kreeg de stikstofproblematiek, als gevolg van de uitspraak inzake het PAS op 29 mei 2019, steeds meer invloed op ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland. Ook voor Valkenhorst vormde stikstof één van de belangrijkste uitdagingen binnen de bestemmingsplanprocedure.

De ontwikkeling ligt nabij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, waardoor de effecten op natuurwaarden zorgvuldig moesten worden onderzocht en onderbouwd. De stikstofproblematiek groeide uit tot één van de meest bepalende onderdelen van het traject.

Juist doordat de agrarische bedrijfsvoering op de locaties werd voortgezet, bleef een belangrijke uitgangssituatie voor de stikstofonderbouwing behouden. Daarmee bleek de dagelijkse praktijk op de boerderij rechtstreeks van invloed op een juridisch vraagstuk binnen één van de grootste woningbouwprojecten van Nederland.

Vanuit onze kennis van agrarische bedrijfsvoering, grondzaken en natuurwetgeving konden wij een essentiële bijdrage leveren aan het vinden van praktische oplossingen en het inzichtelijk maken van de effecten van verschillende keuzes binnen het gebied, maar ook met betrekking tot de bouw van de benodigde HOV-verbinding tussen Leiden en Katwijk.

Waar voor de één een stikstofberekening vooral een juridisch vraagstuk is, begrijpen wij naast de juridische context ook wat daar in de dagelijkse praktijk van een agrarisch bedrijf achter schuilgaat. Juist de combinatie van die twee werelden maakte het mogelijk om kansen te signaleren en verschillende belangen met elkaar te verbinden.

Toen de Raad van State zich over het bestemmingsplan boog, bleek de stikstofonderbouwing, die tot stand was gekomen door een intensieve samenwerking van specialisten van alle betrokken partijen, stand te houden. Daarmee werd een belangrijke horde genomen voor de verdere ontwikkeling van Valkenhorst.

Verbinder tussen partijen

Onze werkzaamheden beperkten zich niet tot de aankoop van de boerderijen en het beheer van de agrarische exploitatie. Gedurende het traject waren wij ook betrokken bij gesprekken tussen initiatiefnemers, overheden, adviseurs, advocaten en grondeigenaren. Grote projecten slagen immers alleen wanneer verschillende belangen met elkaar worden verbonden.

Bij Valkenhorst kwamen woningbouw, natuur, recreatie, infrastructuur en bestaande functies samen. Dat vraagt om begrip voor elkaars belangen en om professionals die de taal van alle betrokken partijen spreken.

Beheer tijdens de tussenfase

Terwijl de planvorming doorging, bleef het gebied bestaan uit gronden, gebouwen en gebruikers die dagelijks aandacht nodig hadden.

Ook daarin speelde Overwater een rol. Tot op de dag van vandaag zijn wij betrokken bij het beheer van gronden en gebouwen binnen het plangebied. Daarmee zorgen we ervoor dat eigendommen worden onderhouden, tijdelijke gebruikers worden begeleid en het gebied beheersbaar blijft totdat de definitieve inrichting wordt gerealiseerd.

Waar veel partijen vooral betrokken zijn tijdens de voorbereiding of de uitvoering, zijn wij gedurende vrijwel het gehele traject actief gebleven. Daardoor hebben wij van dichtbij gezien hoe een voormalig agrarisch gebied stap voor stap verandert in een nieuwe woonomgeving.

Dat werk haalt zelden de voorpagina, maar vormt wel een onmisbare schakel tussen planvorming en uitvoering.

Van visie naar werkelijkheid

Na jaren van verwerving, overleg, onderzoeken, procedures en beheer, komt Valkenhorst nu daadwerkelijk in de fase van realisatie. Begin 2026 werd het bestemmingsplan definitief, waarmee de juridische weg voor de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk werd vrijgemaakt. Inmiddels is het gebied door de voorbereidende werkzaamheden vrijwel onherkenbaar. Straks komt het moment dat de eerste paal voor de woonhuizen de grond in gaat.

Voor iedereen die al jarenlang bij het project betrokken is, is dat een bijzonder moment. Wat ooit begon met gesprekken aan de keukentafel van agrarische ondernemers en de aankoop van een monumentale boerderij, groeit nu uit tot een nieuwe woonwijk waar duizenden mensen straks kunnen wonen.

De kracht van rentmeesterschap

Valkenhorst laat zien dat rentmeesterschap veel verder gaat dan het kopen en verkopen van grond. Het vraagt om kennis van agrarische bedrijven, ruimtelijke ordening, natuurwetgeving, vastgoedbeheer en belangenbehartiging. Maar bovenal vraagt het om de bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen wanneer een project daarom vraagt.

Juist in langdurige projecten als Valkenhorst blijkt dat succesvolle ontwikkeling niet alleen draait om plannen maken, maar vooral om vasthoudendheid, samenwerking en het vermogen om onderweg praktische oplossingen te vinden.

Van koeienstal naar woonwijk: Valkenhorst bewijst dat succesvolle gebiedsontwikkeling begint met visie, maar uiteindelijk gerealiseerd wordt door mensen die bereid zijn hun handen uit de mouwen te steken.

Even voorstellen: Pascal Verhulst

Per 1 september ben ik werkzaam als Rentmeester / Vastgoedadviseur bij Overwater Rentmeesterskantoor. Graag stel ik mij aan u voor.

Affiniteit met het buitengebied

Mijn interesse voor het buitengebied en vastgoed is al op jonge leeftijd ontstaan. Mijn opa had een melkveebedrijf in Schijf, waar ik in mijn jeugd veel tijd heb doorgebracht. Daar maakte ik van dichtbij kennis met het agrarisch ondernemerschap, het werken met grond en de betrokkenheid die veel ondernemers hebben bij hun bedrijf en omgeving. Die belangstelling is altijd gebleven.

Ik ben geboren en getogen in Roosendaal en woon inmiddels al ruim twintig jaar met veel plezier aan de rand van het buitengebied in Rucphen. De combinatie van dorp, natuur en ondernemerschap spreekt mij nog altijd enorm aan.

Een brede achtergrond in vastgoed en advisering

Na mijn studie Management, Economie en Recht, met als afstudeerrichting Makelaardij en Vastgoed, heb ik ruim twintig jaar ervaring opgedaan binnen de financiële dienstverlening, het technisch vastgoedadvies en de corporatiesector.

Tijdens mijn werkzaamheden als adviseur bedrijven was ik actief in het gebied van Roosendaal tot Tilburg. In die rol heb ik veel ondernemers mogen begeleiden en was ik betrokken bij uiteenlopende zakelijke en maatschappelijke netwerken. Juist het opbouwen van relaties, het verbinden van belangen en het vinden van passende oplossingen geven mij veel energie.

Waarom het rentmeestersvak?

Het rentmeestersvak brengt voor mij veel aspecten samen die ik belangrijk vind: werken met vastgoed en grondzaken, samenwerken met verschillende partijen en zoeken naar praktische oplossingen voor complexe vraagstukken. Daarbij staan een open en persoonlijke benadering voor mij centraal.

Om mijn kennis verder te verdiepen en te verbreden, ben ik daarnaast gestart met de Post-HBO-opleiding Leergang Rentmeester NVR aan Hogeschool Van Hall Larenstein – VHL University of Applied Sciences.

Ook buiten het werk actief

Naast mijn werk ben ik graag actief bezig. Ik sport veel, onder andere wielrennen, mountainbiken en padel. Ook ben ik regelmatig langs de lijn te vinden bij de voetbalwedstrijden van onze kinderen.

Graag tot ziens

Ik kijk ernaar uit om de relaties van Overwater Rentmeesterskantoor te ontmoeten en samen mooie resultaten te realiseren.

Aanpassing pachtprijzen 2026

Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de heer S.P.A. Erkens, heeft de pachtnormen bekend gemaakt die gelden vanaf 1 juli 2026. Jaarlijks worden per 1 juli de hoogst toelaatbare pachtprijzen voor akkerbouw- en grasland, tuinland, agrarische gebouwen en agrarische woningen vastgesteld.

Stijging in (bijna) alle pachtprijsgebieden

De pachtnormen voor los bouw- en grasland zijn gebaseerd op de bedrijfsresultaten van middelgrote en grote akkerbouw- en melkveebedrijven in de periode 2020-2024. Op basis hiervan stijgen in 13 van de 14 pachtprijsgebieden de pachtnormen 2026 ten opzichte van de pachtnormen 2025. Dit varieert van een stijging van 1% in zuidelijk veehouderijgebied tot maximaal 23% in westelijk Holland. In de pachtregio Zuidwestelijk akkerbouwgebied is de pachtnorm met 3% gedaald.

In de melkveehouderij is een gemiddeld inkomensjaar (2019) vervangen door een jaar (2024) met een hoog inkomen. In de akkerbouw lag het landelijk inkomen in 2019 al ruim boven het langjarig gemiddelde; in 2024 was het inkomen zelfs nog hoger. Door de extreme weersomstandigheden en het (deels) ontbreken van beregeningsmogelijkheden in het Zuidwestelijk akkerbouwgebied lag het gemiddeld inkomen in deze regio lager dan het gemiddeld inkomen over de voorgaande periode, met een daling van de pachtprijs als gevolg.

Voor tuinland, bestemd voor bollenteelt, vollegrondsgroenteteelt en boomkwekerijen, worden twee gebieden onderscheiden: Westelijk Holland en de rest van Nederland. In beide gebieden zijn de pachtnormen voor 2026 opnieuw gestegen. In Westelijk Holland is de stijging met 13% en voor de rest van Nederland 2%.

Regionormen variëren

De regionormen variëren:

  • in de gebieden met een gemengd karakter (akkerbouw en melkveehouderij) stijgt de regionorm met 6% tot 23%;
  • in de melkveehouderijgebieden neemt de regionorm toe met +1% tot +17%;
  • in de akkerbouwgebieden varieert de regionorm van -3% tot +9%.

pachtprijs gebouwen

  • De pachtprijs voor agrarische bedrijfsgebouwen wordt verhoogd met 5,22%.
  • De pachtprijs voor woningen bij pachtovereenkomsten van voor 1 september 2007 stijgt met 4,1%. Voor agrarische woningen met pachtovereenkomsten die op of na 1 september 2007 zijn ingegaan, worden de maximale huurprijsgrenzen afgeleid van het puntenstelsel uit het huurprijsbeleid voor zelfstandige woonruimten.
    Met de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is de jaarlijkse indexatie van de maximale huurprijsgrenzen verschoven van 1 juli naar 1 januari.
    Per 1 januari 2026 zijn de maximale huurprijsgrenzen geïndexeerd met 3,65%.  

Algemeen

De aanpassing werkt van rechtswege door in bestaande pachtovereenkomsten. De wijziging van de pachtprijs hoeft niet goedgekeurd te worden door de Grondkamer. De nieuwe pachtprijs gaat in bij aanvang van het nieuwe pachtjaar na 1 juli 2026.

Einde grondprijsstijging in zicht?

De agrarische grondprijs blijft de gemoederen bezighouden. Hoewel de gemiddelde prijs in het eerste kwartaal van 2026 licht daalde, ligt het niveau nog altijd fors hoger dan een jaar eerder. Is dit het begin van een omslag, of blijft landbouwgrond ook de komende jaren schaars en waardevol?

Een lichte daling, maar nog steeds een hoog prijsniveau

Het Kadaster publiceerde onlangs het kwartaalbericht over de agrarische grondmarkt in het eerste kwartaal van 2026. Daaruit blijkt dat de gemiddelde grondprijs in Nederland licht daalde naar € 101.700 per hectare. Tegelijkertijd ligt die prijs nog altijd ruim 6% hoger dan in het eerste kwartaal van 2025.

In gesprekken met agrariërs komt daarom steeds vaker dezelfde vraag terug: zal de grondprijs ooit nog echt dalen? Een lagere grondprijs wordt vaak in verband gebracht met lagere saldo’s per hectare of een oplopende marktrente. Bij een grondprijs van ruim € 100.000 per hectare en een marktrente van circa 4% zijn er in de landbouw immers weinig saldogewassen die de rentelasten volledig kunnen dragen. Toch blijft een forse prijsdaling vooralsnog uit.

Waarom blijft de grondprijs hoog?

In 2016 voorspelden wij tijdens de Rundvee & Mechanisatie Vakdagen in Gorinchem dat de gemiddelde grondprijs in Nederland in 2026 zou uitkomen op circa € 95.000 per hectare. Geen glazen bol, maar simpelweg een doorvertaling van historische ontwikkelingen naar de toekomst.

Inmiddels blijkt dat de grondprijsstijging sterker is geweest dan alleen op basis van inflatie verwacht mocht worden. Er spelen dus extra factoren mee. Denk aan het vertrouwen van financiers en investeerders: investeren in grond wordt gezien als relatief risicomijdend en solide. Doordat steeds meer partijen dit onderschrijven, blijft het aanbod beperkt en is er meer vraag dan aanbod. Die disbalans drijft de prijs op.

Grond wordt bovendien vaak gekocht vanuit een strategische visie en met een lange horizon. Het vertrouwen in toekomstige opbrengsten en waardeontwikkeling is kennelijk groot genoeg om landbouwgrond aantrekkelijk te houden.

De druk op de ruimte neemt verder toe

Nederland is klein en de ruimtelijke opgaven zijn groot. Landbouwgrond staat onder druk door plannen voor natuur, wegen, woningen, bedrijventerreinen, militaire terreinen, wateropgaven en de energietransitie. Het lijkt erop dat ook de Rijksoverheid deze schaarste onderkent.

Een voorbeeld daarvan is het voornemen om een Landelijke Integrale Grondbank op te richten. Daarmee wil het Rijk meer regie krijgen en meer schuifruimte creëren voor ruimtelijke opgaven. Door strategisch grond aan te kopen, kan een portefeuille met ruilgrond worden opgebouwd. De beoogde omvang ligt tussen 16.500 en 33.000 hectare.

Helemaal nieuw is deze gedachte niet. Eind jaren negentig en begin deze eeuw had de Dienst Landelijk Gebied een vergelijkbare doelstelling: landbouwgrond aankopen tegen marktwaarde en deze vervolgens inzetten voor bijvoorbeeld bedrijfsverplaatsingen, zodat ruimte ontstond voor andere projecten. Nu lijkt een vergelijkbare koers opnieuw actueel te worden.

Wat betekent dit voor stoppende en kopende agrariërs?

Voor agrarische bedrijven die afbouwen of nadenken over bedrijfsbeëindiging, kan een extra partij op de grondmarkt meer zekerheid bieden. Een grote grondprijsdaling ligt op dit moment niet voor de hand. Daarmee blijft het vermogen dat in grond is opgebouwd naar verwachting grotendeels in stand.

Ook voor kopende partijen kan een stijgende grondprijs positief uitpakken. Het bestaande vermogen neemt toe en een aankoop die op het moment zelf duur voelt, blijkt achteraf niet per se te duur te zijn geweest. Van ‘duur’ is vooral sprake wanneer de markt structureel daalt. Daar lijkt nu geen sprake van, ook niet in een soberder agrarisch jaar.

Landbouwgrond blijft schaars

Door verdere onttrekking van grond aan de landbouw blijft de druk op het beschikbare areaal toenemen. Denk aan natuurontwikkeling, energietransitie, infrastructuur, waterberging en waterkwaliteit, uitbreiding van defensieterreinen, woningbouw en bedrijventerreinen.

Volgens de Landbouw- en natuurverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving kan het areaal landbouwgrond de komende 25 jaar met circa 250.000 hectare afnemen. Daarmee blijft grond een schaars goed.

Regionale verschillen worden waarschijnlijk groter

Het kabinet presenteert naar verwachting eind juni 2026 plannen om het zogenoemde stikstofslot open te krijgen. Daarbij ligt het voor de hand dat wordt ingezet op extensivering en zonering rond Natura 2000-gebieden, zoals ook in het coalitieakkoord is opgenomen.

De grondmarkt kan daardoor gaan functioneren als een waterbed. In bepaalde gebieden zal de landbouw moeten afschalen, terwijl de druk op landbouwkundige gebieden zonder beperkingen juist toeneemt. Dat kan ertoe leiden dat de gemiddelde grondprijs in Nederland verder stijgt en dat verschillen tussen regio’s zichtbaarder worden.

Vooruitblik: richting € 180.000 per hectare?

Als het areaal landbouwgrond verder afneemt en de vraag minimaal op peil blijft, is het aannemelijk dat de grondprijs op langere termijn verder stijgt. Op basis van de ontwikkeling in de afgelopen 20 jaar kan de gemiddelde grondprijs van circa € 100.000 per hectare doorgroeien naar ongeveer € 180.000 per hectare in 2045.

Ook hier geldt: dit is geen voorspelling met een glazen bol, maar een doorvertaling van historische ontwikkelingen naar de toekomst. Een economische crisis, pandemie of andere bijzondere omstandigheid kan de termijn en daarmee het prijsniveau in 2045 uiteraard beïnvloeden.

Strategische keuzes vragen om tijdig overleg

In onze dagelijkse praktijk merken we dat ontwikkelingen in het landelijk gebied steeds vaker leiden tot strategische gesprekken met agrariërs. Wat zijn de mogelijkheden voor de toekomst? Welke partijen zijn actief op de markt? Wat is een goed moment om te verkopen en eventueel opnieuw aan te kopen? En hoe neem je besluiten die passen bij de lange termijn?

Een strategische keuze kan bijvoorbeeld zijn om het bedrijfsareaal stapsgewijs te verkleinen, vooruitlopend op volledige bedrijfsbeëindiging. Juist bij dit soort keuzes is het belangrijk om tijdig vooruit te kijken. Klankborden met een rentmeester kan daarbij extra inzicht en vertrouwen geven.

Wilt u overleggen over de toekomst van uw bedrijf of een strategisch gesprek voeren over grond, verkoop of aankoop? Overwater Rentmeesterskantoor denkt graag met u mee. Met onze ervaring en deskundigheid ondersteunen wij ondernemers bij het maken van goed onderbouwde keuzes.

Grondruil vanaf 2026: blijft de landbouwvrijstelling buiten schot?

Vanaf 2026 verandert de fiscale uitwerking van de landbouwvrijstelling bij het tijdelijk uit gebruik geven van landbouwgrond. Dat raakt onder meer agrariërs die grond ruilen voor vruchtwisseling of teeltrotatie. In dit artikel wordt aan de hand van een praktijkvoorbeeld toegelicht wat er verandert, welke voorwaarden gelden en wat dit betekent voor de praktijk.

Praktijkvoorbeeld

Een veehouder en een akkerbouwer ruilen grond. De akkerbouwer teelt aardappelen op het grasland van de veehouder, terwijl de veehouder gras teelt op grond van de akkerbouwer. Het is een herkenbare praktijkcasus. In het kader van extensivering en bodemvruchtbaarheid kan deze vorm van grondruil zelfs wenselijk zijn.

Situatie tot en met 31 december 2025

De waardestijging van landbouwgrond is in beginsel vrijgesteld van fiscale heffing, op voorwaarde dat de grond in gebruik is en blijft bij de eigenaar binnen de landbouwonderneming. In de praktijk is dat meestal de agrariër. Het uit gebruik geven van dit soort gronden werd in de praktijk toegestaan, mits dit gebeurde in het kader van vruchtwisseling. Deze regeling bestaat al geruime tijd, maar is wel aan verandering onderhevig.

In de praktijk realiseerden agrariërs en grondeigenaren die grond uitruilden (lees: ‘verpachtten’) zich niet of nauwelijks dat de toepassing van de landbouwvrijstelling mogelijk in gevaar kon komen. Daar was ook geen directe aanleiding toe, omdat er afspraken met de Belastingdienst bestonden over grondruil in het kader van vruchtwisseling. Het bedrijfsleven, waaronder de Land- en Tuinbouworganisatie LTO en de Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus VLB, maakte in 2014 een werkafspraak met de Belastingdienst. Op basis daarvan mocht het uit gebruik geven van landbouwgrond voor vruchtwisseling wél onder de landbouwvrijstelling worden gebracht. Deze afspraak was nadrukkelijk bedoeld voor het éénjarig uit gebruik geven van landbouwgrond. Voor onze veehouder en akkerbouwer bood dit voldoende fiscale borging.

Nieuwe regels vanaf 2026

Op 5 november 2025 heeft de staatssecretaris van Financiën het Besluit Landbouwproblematiek uit 2018 geactualiseerd en het nieuwe Besluit Landbouwproblematiek 2025 gepubliceerd. Kort gezegd volgt uit die actualisatie dat de waardestijging van landbouwgrond belast is in de periode waarin de grond niet dienstbaar is aan de eigen onderneming. De vrijstelling geldt wel weer vanaf het moment dat de grond opnieuw in gebruik komt bij de agrariër/eigenaar. Daardoor ontstaat een vorm van compartimentering: voor de periode waarin de grond niet dienstbaar is geweest aan de eigen onderneming, kan sprake zijn van een belaste waardestijging. Of dat daadwerkelijk aan de orde is, hangt uiteraard mede af van de vraag of de grond in die periode in waarde is gestegen.

Voorwaarden voor grondruil onder de landbouwvrijstelling

Voor situaties zoals die van de akkerbouwer en veehouder uit het praktijkvoorbeeld heeft de Staatssecretaris van Financiën een mogelijke oplossing geformuleerd.

Die oplossing houdt in dat aan alle onderstaande voorwaarden moet worden voldaan om niet in de risicosfeer van een belaste meerwaarde terecht te komen:

  • Er is sprake van een schriftelijke gebruiksovereenkomst.
  • De grond wordt maximaal voor één teelt uit gebruik gegeven; dit kan dus ook langer dan één jaar zijn.
  • Er is een noodzaak voor het uit gebruik geven in verband met de bodemgesteldheid of de kwaliteit van de te telen gewassen. Deze noodzaak moet door de grondeigenaar worden aangetoond.
  • Na afloop van de periode gaat de grondeigenaar weer hetzelfde soort gewas telen.
  • Het uit gebruik geven duurt niet langer dan strikt noodzakelijk.

Knelpunten in onze casus

Op basis van deze voorwaarden blijkt dat de melkveehouder uit onze casus niet aan alle punten voldoet. Bij het uit gebruik geven van zijn grond kan hij daarom te maken krijgen met een belaste meerwaarde. Er is immers geen noodzaak voor rotatie van zijn graspercelen: gras kan jaarlijks op hetzelfde perceel worden geteeld.

Voor de teelt van aardappelen geldt wél een verplichte rotatie. De akkerbouwer in ons voorbeeld kan naar alle waarschijnlijkheid aan de voorwaarden voldoen, maar moet hierover wel met de veehouder in gesprek. De grondeigenaar moet immers aantonen dat er sprake is van een noodzaak om de grond uit gebruik te geven. Daarmee wordt duidelijk hoe complex deze situatie in de praktijk kan zijn.

Gevolgen voor de praktijk

De ervaring leert dat door teeltrotatie steeds vaker grondruil tussen agrariërs en grondeigenaren plaatsvindt. De verwachting is dat de belangstelling hiervoor in de toekomst niet zal afnemen en mogelijk zelfs verder toeneemt, onder meer door de hoge grondprijzen. De actuele opbrengstprijzen van oogst 2025, en zo mogelijk afnemende belangstelling voor uitruil, blijven daarbij buiten beschouwing.

De vraag is echter of het nieuwe fiscale regime vanaf 2026 invloed zal hebben op het uitruilen van landbouwgronden.

Als rekening wordt gehouden met een mogelijke belaste waardestijging tijdens de periode van uit gebruik geven, kan een denkbaar scenario ontstaan waarin ‘nieuwe aardappeltelers’ op papier verschijnen. De veehouder ploegt dan zijn grasland om en gaat aardappelen telen. In de praktijk worden de aardappelen door de akkerbouwer geteeld, maar op papier – bijvoorbeeld in de Gecombineerde Opgave – geeft de veehouder deze aardappelen op. Andersom kan de akkerbouwer bijvoorbeeld gras of mais voor de veehouder telen.

Dan dringt al snel de vraag zich op van wie de aardappelen, het gras of de mais feitelijk zijn.

Of komt er wellicht toch nog een nieuwe werkafspraak tussen het bedrijfsleven en de overheid?

Conclusie

De nieuwe regels vragen om meer zorgvuldigheid bij grondruil en tijdelijk uit gebruik geven van landbouwgrond. Voor agrariërs is het belangrijk om vooraf vast te leggen waarom grondruil noodzakelijk is, afspraken schriftelijk te maken en tijdig te beoordelen of aan alle voorwaarden wordt voldaan. Overleg met een adviseur kan helpen om fiscale risico’s te beperken.

Toekomstschade bij kabels en leidingen

Een elektriciteitskabel door uw grond: hoe zit het met toekomstschade?

Het elektriciteitsnet wordt in hoog tempo uitgebreid en op steeds meer locaties worden er kabels onder of boven de grond aangelegd om het elektriciteitsnet te vernieuwen en te vergroten om de omslag naar meer elektriciteit als energiebron te waarborgen.

De grondeigenaar wordt dan geconfronteerd met een partij die een zakelijk recht overeenkomst (zro) wil afsluiten om afspraken te maken over de aanleg en het hebben van de leiding en voor het uitvoeren van onderhoud in de toekomst.

Bij het afsluiten van een dergelijke overeenkomst komen veel onderwerpen aan de orde. In deze blog beperk ik mij tot de schadecomponent ‘toekomstschade’.

Volledige schadeloosstelling volgens de Omgevingswet

In de Omgevingswet is in artikel 15.14 het volgende opgenomen:
‘Schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van een gedoogplicht als bedoeld in afdeling 10.3 of artikel 10.3, derde lid, wordt aan de rechthebbende die de schade lijdt volledig vergoed.’

Het uitgangspunt is dus dat de grondeigenaar alle schade die het gevolg is van het werk (de leiding/kabel die door de grond komt of erboven) vergoed dient te krijgen.

Welke soorten schade kan een grondeigenaar lijden?

Vanuit een volledige schadeloosstelling gaat het om drie componenten van schade waar de grondeigenaar mee te maken kan krijgen:

  1. Vermogensschade
    Wat betekent het werk voor de waarde van het eigendom?
  2. Inkomensschade
    Wat is het gemiste inkomen door het werk? Dat is schade in de aanlegfase en op het moment dat er onderhoud nodig is. De vergoeding is voor gemiste teelten of lagere opbrengsten, maar ook hogere kosten. Deze schade komt vaak toe aan de gebruiker van de grond.
  3. Bijkomende schade
    De schade die de grondeigenaar heeft voor bijvoorbeeld advieskosten of kosten die gemaakt worden en die niet vallen onder inkomensschade, zoals bijvoorbeeld aanpassing van drainage.

Hoe netbeheerders schade in de praktijk onderscheiden

We zien vaak dat netbeheerders in de overeenkomsten het volgende onderscheid maken:

  1. Werkschade
    Dit is schade die ontstaat door werkzaamheden in verband met de aanleg van de leiding of onderhoud aan de leiding. Deze schade is bijvoorbeeld schade aan het perceel en/of de gewassen die er staan. Deze schade wordt vergoed op het moment dat deze geleden wordt. Dit kan zijn bij de aanleg of later bij onderhoud of calamiteiten. Bij de aanleg wordt de schade ingeschat en aan de (eigenaar)gebruiker vergoed.
  2. Voorzienbare en bepaalbare schade
    Dit is schade die ontstaat door waardedaling van de belaste strook en ook daadwerkelijk wordt geleden op het moment van vestigen van het zakelijk recht. Bijvoorbeeld een jaarlijkse vergoeding voor beperkingen in de exploitatie als er een hoogspanningsmast staat waardoor er beperkingen zijn in het kunnen betelen van de grond. Dit zijn jaarlijks terugkomende kosten die ook jaarlijks vergoed dienen te worden. Partijen kunnen een eenmalige afkoop overeenkomen.

Voor deze twee schades geldt, dat als de schade goed te onderbouwen is, deze schade ook opgenomen wordt bij het vestigen van het zakelijk recht en vergoed wordt.

Toekomstschade: schade die pas later zichtbaar wordt

Een derde schadecomponent is toekomstschade. Toekomstschade is schade die een grondeigenaar heeft omdat er een leiding in het bezit ligt, waardoor er beperkingen kleven aan de onroerende zaak. Deze beperkingen kunnen op termijn leiden tot een lagere waarde van het bezit.

In de praktijk ontstaat de meeste discussie om deze schade goed geregeld te krijgen in de zakelijk recht overeenkomsten. We zien in de praktijk dat de verschillende leidingbeheerders hier ook heel verschillend mee omgaan. Omdat het om zakelijke rechten gaan die voor onbepaalde tijd gevestigd worden dus voor de eeuwigheid, is het van groot belang voor de grondeigenaar dat de vergoeding van toekomstschade ook goed in de overeenkomst wordt opgenomen.

Uitgangspunt is en blijft dat de grondeigenaar recht heeft op een volledige schadeloosstelling dus dat alle schades, ook die schades die in de toekomst ontstaan, vergoed worden.

Verschillende benaderingen van toekomstschade in overeenkomsten

In de praktijk zien we verschillende situaties ontstaan bij recht op vergoeding van toekomstschade:

  • Partijen die alleen een vergoeding willen betalen aan de grondeigenaar die ook grondeigenaar was ten tijde van het vestigen van het recht. Hiermee wordt de duur waarbinnen een grondeigenaar schade kan verhalen, aanzienlijk in de tijd beperkt.
  • Partijen die een schade alleen willen vergoeden aan een opvolgend grondeigenaar als het een overdracht is geweest onder algemene titel (vererving), omdat elke andere eigenaar bij het kopen van het perceel weet dat er een leiding ligt en er bij de prijs dan ook rekening mee moet houden.
  • Partijen die toekomstschade ook vergoeden aan de opvolgde grondeigenaar als dat kinderen zijn die het bezit hebben overgenomen, dus gekocht (koop wat een bijzondere titel is). Dit wordt gedaan omdat de leidingbeheerders het vaak niet redelijk vinden dat de kinderen bij een vererving wel in aanmerking komen voor schadevergoeding, maar bij een koop niet.
  • Partijen die toekomstschade vergoeden aan zowel de grondeigenaar ten tijde van het vestigen van het recht maar ook aan opvolgend grondeigenaar onder zowel algemene titel als bijzondere titel op het moment dat de schade er is. Dit zijn vaak de netbeheerders bij laag- en middenspanningsnetwerken.

De werkwijze van TenneT bij toekomstschade

TenneT, verantwoordelijk voor de hoogspanningsnetwerken, stelt zich met haar werkwijze op het standpunt dat toekomstschade alleen aan de oorspronkelijke eigenaar vergoed wordt en aan:

  • de rechtsopvolger onder algemene titel;
  • een kind;
  • degene die de grond koopt en de grond agrarisch blijft gebruiken (ervan uitgaande dat het gebruik ten tijde van de vestiging ook agrarisch was).

Na verkoop van de grond aan een derde (niet zijnde de kinderen) is er geen recht op toekomstschade als die ontstaat door ander dan agrarisch gebruik. De reden hiervoor is dat deze koper de grond koopt met de wetenschap dat er een zakelijk recht gevestigd is en er beperkingen kleven aan de grond. Bij het bepalen van de koopprijs zal de koper hier rekening mee houden.

Praktijkvisie: waarom deze benadering onredelijk is

Met de voorgaande stelling ben ik het als Rentmeester en Taxateur niet eens om de navolgende redenen:

  1. Het zakelijk recht wordt gevestigd voor onbepaalde tijd. Bij het afsluiten van het zakelijk recht is het vaak niet mogelijk om aan te tonen dat er ooit iets anders gaat komen dan agrarisch gebruik en dat dat andere gebruik ook een meerwaarde voor de grond zal betekenen.
    Dus bij het vestigen van het recht ontvangt de grondeigenaar geen schadevergoeding voor het niet kunnen incasseren van de waardestijging van de belaste strook als de grond een lucratievere functie had gekregen zonder het zakelijk recht.
  2. Op het moment dat de grondeigenaar tot verkoop overgaat aan een derde, ook al is het voor agrarische doeleinden, zal de koper er mogelijk wel of geen rekening mee houden dat er een leiding ligt. Maar de oorspronkelijke grondeigenaar kan niet, of zo goed als zeker niet, aantonen dat de koper minder betaalt voor de grond en krijgt geen vergoeding voor een (eventuele) lagere koopsom; het is en blijft toch agrarisch gebruik. De koper komt niet meer in aanmerking voor vergoeding want de koper wist dat de grond een beperking heeft.

    Op het moment dat er toch een lucratieve bestemming gaat volgen, zal er in een gebied dus verschillend gehandeld worden door TenneT. De oorspronkelijke eigenaar of erfgenamen of kinderen krijgen wel de misgelopen waardestijging vergoed en een grondeigenaar die gekocht heeft met de beperking, niet. Hierdoor heeft TenneT een voordeel als de grond verkocht is aan derde partij en dat kan naar mijn mening niet de bedoeling zijn.
  3. Voor de koper van grond, ook al is het voor agrarische doeleinden, is de grond, naast gebruik voor agrarische exploitatie, ook een belegging. De grond kan in waarde stijgen door inflatie maar ook door het verkrijgen van een lucratieve bestemming. Deze waardestijging is bij gronden waar een zakelijk recht op rust mogelijk beperkt.
  4. Op het moment dat in de overeenkomst voor het vestigen van het zakelijk recht wordt opgenomen dat rechtsopvolgers ook recht hebben op toekomstschade, gelijk aan de eerste eigenaar, is er geen aftrek op de koopsom nodig als de grond verkocht wordt omdat de toekomstschade komt te vervallen.

    Op dat moment is er ook geen discussie hoe hoog die schade op dat moment is, wat zoals eerder aangegeven, heel moeilijk aantoonbaar is. Of niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de bestemming niet veranderd is.
  5. Als er geen overeenstemming bereikt wordt over het vestigen van het zakelijk recht kan de gedoogplicht opgelegd worden. In dat geval behoudt de grondeigenaar het recht op vergoeding van de toekomstschade omdat in de Omgevingswet is opgenomen dat de grondeigenaar recht heeft op een volledige schadeloosstelling. Dat is vaak voor het regelen van de toekomstschade een betere optie dan akkoord gaan met een beperking van de schadevergoeding.

Gedoogplicht als alternatief: voordelen en nadelen

Aan het opleggen van de gedoogplicht zitten echter niet alleen voordelen maar ook nadelen. Bij de gedoogplicht krijgt de grondeigenaar een volledige schadeloosstelling, niet meer en niet minder. Daar is recht op.

In het traject voorafgaande aan een gedoogplichtprocedure worden naast de toekomstschade en de gewasschade vaak ook andere vergoedingen aangeboden zoals een meewerkvergoeding en een efficiëntievergoeding. Deze vergoedingen klinken vaak heel redelijk en aantrekkelijk om een dergelijke overeenkomst af te sluiten.

Deze vergoedingen krijgt de grondeigenaar niet op het moment dat de gedoogplicht wordt opgelegd. Hierdoor kan de grondeigenaar het aanbod dat gedaan wordt overeenkomstig de standaardwerkwijze van TenneT ook zien als: ‘de grondeigenaar ontvangt nu (mogelijk) wat meer dan waar de grondeigenaar recht op heeft en ‘verspeelt’ daarmee de vergoeding van toekomstschade die mogelijk nooit of in de verre toekomst aan de orde komt’.

Met deze werkwijze wordt druk uitgeoefend om grondeigenaren toch tot het laten tekenen van een overeenkomst over te gaan en een gedoogplichtprocedure te voorkomen.

Conclusie: regel toekomstschade zorgvuldig

De komende jaren zal er nog heel veel moeten gebeuren aan de elektriciteitsnetten om de distributie van elektriciteit op orde te krijgen. Het zal de netbeheerders dan naar mijn mening ook sieren als zij een overeenkomst aanbieden waarin de toekomstschade ook netjes geregeld is en niet op voorhand proberen deze toekomstige kosten voor hen op voorhand uit te sluiten.

De teksten die nu in de overeenkomsten worden aangeboden met betrekking tot toekomstschade kunnen naar mijn mening aanzienlijk beperkt worden door op te nemen:

Toekomstschade:
Het uitgangspunt is een volledige schadeloosstelling zoals bedoeld is in de Omgevingswet. Toekomstschade wordt vergelijkbaar aan de gedoogplicht conform artikel 15.14 van de Omgevingswet vergoed.

Waar beleid en praktijk elkaar raken: economie en natuur in samenhang?

In onze dagelijkse praktijk werken wij in het landelijk gebied aan vraagstukken waar economische belangen en natuurdoelen samenkomen. In gesprekken met grondeigenaren, agrarische ondernemers, overheden en initiatiefnemers zien wij dat deze belangen elkaar soms versterken, maar ook onder druk kunnen zetten. De stikstofproblematiek speelt hierin een centrale rol en beïnvloedt al jaren de manier waarop grond wordt gebruikt en ontwikkeld.

Recent publiceerde Wageningen University & Research het rapport De Nederlandse stikstofcrisis: van verwarring naar verbinding. De analyse sluit aan bij wat wij in de praktijk ervaren: de huidige impasse in onder meer de stikstofproblematiek wordt niet zozeer veroorzaakt door onwil, maar door een systeem waarin beleid, juridische kaders en uitvoering onvoldoende op elkaar aansluiten. Dat roept de vraag op of economische ontwikkeling en natuurherstel daadwerkelijk met elkaar te verenigen zijn.

In deze blog hanteren wij GROND als ordenend kader om te laten zien hoe verschillende belangen in samenhang kunnen worden gebracht.

Gebiedsgericht: maatwerk per regio

Generiek stikstofbeleid sluit niet altijd goed aan bij de grote verschillen tussen gebieden. Bodemopbouw, waterhuishouding, historische belasting en huidig landgebruik variëren sterk per locatie, terwijl veel maatregelen toch landelijk en uniform worden toegepast. Hierdoor ontstaan maatregelen die juridisch vaak houdbaar zijn, maar in de praktijk ecologisch en economisch niet overal even effectief zijn.

In Nederland wordt daarom steeds vaker gewerkt met een gebiedsgerichte aanpak, waarbij provincies en gebiedspartners per regio kijken naar de specifieke kenmerken en opgaven, zoals in en rond kwetsbare Natura 2000-gebieden. Onderzoek van onder andere Wageningen University & Research laat zien dat sturen op landelijke gemiddelden en abstracte normen beperkt houvast biedt voor daadwerkelijke milieuwinst. Gebiedsgericht beleid maakt het mogelijk om maatregelen te richten op de lokale knelpunten, waardoor de effectiviteit van stikstofreductie en natuurherstel toeneemt.

Ruimte en Regie: keuzes op hoofdlijnen

Het landelijk gebied staat onder druk door de samenloop van opgaven: landbouw, natuur, woningbouw, energie en waterbeheer. Deze functies kunnen niet overal en tegelijk worden gerealiseerd. Dat vraagt om keuzes. Volledige detailsturing werkt belemmerend, terwijl een volledig open benadering leidt tot versnippering en onzekerheid.

Effectieve regie betekent daarom sturen op hoofdlijnen: duidelijke kaders waarbinnen afwegingen kunnen worden gemaakt. Niet elke keuze hoeft vooraf vast te liggen, maar verantwoordelijkheden en doelen moeten wel helder zijn. Door ruimte te laten voor gebiedsgerichte invulling kan schaarse ruimte doelgericht worden benut, zonder te verzanden in detailsturing of langdurige procedures.

Ondernemerschap: zekerheid voor investeren

Ondernemerschap in het landelijk gebied speelt een belangrijke rol in het gebruik en beheer van de ruimte, maar wordt in beleid niet altijd expliciet meegenomen. Agrarische bedrijven en andere gebiedsgebonden ondernemingen werken vaak met lange investeringshorizonnen en dragen bij aan productie, landschapsbeheer en de leefbaarheid van het platteland. Tegelijkertijd zijn zij sterk afhankelijk van duidelijkheid en rechtszekerheid in regelgeving en vergunningverlening.

Er zijn signalen dat investeringen in verduurzaming of emissiereductie in sommige gevallen worden uitgesteld of heroverwogen, mede door onzekerheid over vergunningverlening en toekomstige beleidsontwikkelingen. In verschillende analyses van Wageningen University & Research wordt benadrukt dat beleid dat vraagt om zeer grote zekerheid over ecologische effecten, terwijl wetenschappelijke onzekerheden inherent blijven, in de praktijk spanning kan geven met innovatie en investeringsbereidheid. Dit vraagt om een zorgvuldige balans tussen milieubescherming, rechtszekerheid en ruimte voor ontwikkeling.

Natuurdoelen: focus op uitvoerbaarheid

Natuurdoelen zijn noodzakelijk om biodiversiteit te beschermen en achteruitgang van ecosystemen te voorkomen, maar vragen om een realistische en uitvoerbare benadering. Stikstofreductie kan bijdragen aan natuurherstel, maar leidt niet automatisch tot herstel van natuurkwaliteit. In de praktijk zijn aanvullende maatregelen zoals gericht natuurbeheer, waterregulatie, bodemverbetering en inrichting van gebieden vaak bepalend voor het daadwerkelijke ecologische herstel.

Wanneer beleid sterk wordt gestuurd op juridische normnaleving, kan de nadruk verschuiven van het realiseren van ecologische verbeteringen naar het voldoen aan procedurele eisen. Dit kan leiden tot complexe besluitvorming en beperkte zichtbare verbetering in de natuurkwaliteit op korte termijn. Een integrale benadering, waarin meerdere omgevingsfactoren in samenhang worden meegenomen, wordt in veel analyses als belangrijk gezien voor effectief natuurherstel.

Dialoog: verbinding tussen beleid en praktijk

Een structurele dialoog tussen beleid, wetenschap en praktijk is in de uitvoering van ruimtelijk en natuurbeleid niet altijd vanzelfsprekend. Beleidsbesluiten worden vaak gebaseerd op modellen, scenario’s en juridische kaders, terwijl de praktische gevolgen vooral zichtbaar worden in het landelijk gebied. Dit kan leiden tot een ervaren afstand tussen beleidsvorming en uitvoering.

Als rentmeesters bevinden wij ons op dit snijvlak tussen beleid, eigendom en gebiedsontwikkeling. Initiatieven zoals de Samenhangende Aanpak Natuurherstel en Economie laten zien dat samenwerking tussen grondeigenaren, ondernemers, overheden en kennisinstellingen kan bijdragen aan het beter verbinden van natuurdoelen met economische en maatschappelijke haalbaarheid.

In verschillende analyses van onder andere Wageningen University & Research wordt benadrukt dat een integrale en samenwerkende benadering in gebieden kan helpen om maatregelen effectiever en beter uitvoerbaar te maken.

Conclusie: samenhang als vertrekpunt

De stikstofopgave maakt zichtbaar dat het huidige stelsel uitdagingen kent in de afstemming tussen beleidsdoelen en uitvoering in de praktijk. In analyses van Wageningen University & Research wordt onder andere beschreven dat de kern van deze problematiek niet uitsluitend technisch van aard is, maar ook samenhangt met de wijze waarop beleid, verantwoordelijkheden en uitvoeringskaders zijn ingericht.

GROND biedt hiervoor een samenhangend denkkader:

  • Gebiedsgericht werken in plaats van generieke normen
  • Sturing op hoofdlijnen, met beperkte detailsturing
  • Ruimte voor ondernemerschap en investeringszekerheid
  • Natuurdoelen gekoppeld aan concreet en uitvoerbaar beheer
  • Structurele dialoog tussen beleid, wetenschap en praktijk

Vanuit dit perspectief kan worden gesteld dat een meer integrale en gebiedsgerichte benadering kan bijdragen aan een aanpak die beter aansluit op de uitvoeringspraktijk. Daarbij gaat het niet om een theoretisch model, maar om een werkbare aanpak waarin verschillende belangen en verantwoordelijkheden in samenhang worden bezien.

Meer lezen

Het volledige rapport van Wageningen University & Research, De Nederlandse stikstofcrisis-Van verwarring naar verbinding, biedt een uitgebreide onderbouwing van analyse en oplossingsrichtingen die in dit artikel zijn besproken.

Sem: extensivering met strategische gevolgen

Op 14 april 2026 heeft de Europese Commissie officieel goedkeuring verleend aan de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem). Daarmee is de staatssteunprocedure afgerond en is de weg vrij voor openstelling van de regeling.

Onze deskundigen volgen deze ontwikkelingen op de voet, omdat de regeling directe gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering, grondpositie, de markt van fosfaatrechten en de strategische keuzes van melkveebedrijven.

Inhoud Regeling

De Sem is gericht op het tijdelijk verminderen van het aantal melkkoeien per bedrijf, met als doel een structurele reductie van stikstof- en broeikasgasemissies te realiseren.

De kernpunten van de regeling op een rij:

  • Deelname is mogelijk voor melkveehouders die in 2025 bedrijfsmatig melkkoeien hielden.
  • Verplichting tot 10-20% vermindering van het aantal melkkoeien ten opzichte van 2025.
  • Het areaal grasland mag niet afnemen.
  • Het aantal overige graasdieren mag niet toenemen.
  • De verplichtingen gelden voor drie jaar, na het definitief doorhalen van bijbehorende fosfaatrechten.

Landelijk is hiervoor een fors budget beschikbaar van € 627 miljoen, waarvan ruim € 615 miljoen daadwerkelijk als subsidie wordt uitgekeerd. De regeling wordt naar verwachting geopend van 1 juni tot en met 29 juli 2026.

Financiële componenten

De subsidie bestaat uit twee onderdelen:

  1. Inkomenscompensatie:
    € 1.606 per verminderde melkkoe per jaar (inclusief transactiekosten), gedurende drie jaar.
  2. Vergoeding voor doorgehaald fosfaatrecht:
    € 110 per kg fosfaatrecht, gebaseerd op de gemiddelde marktprijs over 2023-2025, uitbetaald in drie gelijke jaarlijkse termijnen.

Belangrijk is te bedenken dat het fosfaatrecht definitief wordt doorgehaald en niet meer kan worden verhandeld of gebruikt na drie jaar.

Relatie met vergunningen en toekomstkeuzes

Interessant is dat het kabinet expliciet aangeeft dat bij extensivering binnen deze bandbreedte geen sprake is van een structurele wijziging van het project, zolang de bedrijfsopzet gelijk blijft. Daarmee zou deelname in beginsel binnen de bestaande natuurvergunning moeten passen. Provincies blijven hierbij wel een belangrijke gesprekspartner voor het ministerie.

Na afloop van de driejarige periode is terugkeer naar het oorspronkelijke aantal melkkoeien alleen mogelijk met nieuw aangekochte of geleasede fosfaatrechten. Dat maakt deelname aan deze regeling nadrukkelijk een strategische keuze voor de middellange termijn.

Overweging

Ter overweging wil ik u nog een gedachtegang meegeven over het kernpunt ‘areaal grasland’ van Sem. Een van de voorwaarden van Sem is dat het areaal niet mag afnemen. Van belang is om na te denken over wat wenselijk is voor uw eigendom en/of binnen uw bedrijfsvoering voor de komende drie jaar. Niet alleen voor nu, ook voor de periode na afloop van de regeling.

Wat zijn de gevolgen als u na de driejaarstermijn omschakelt naar een ander grondgebruik?

Kan dat dan nog? Wat betekent dit voor de waarde van uw bezit, zowel in vermogen als anderszins, bijvoorbeeld verandering en waardering voor het landschap?

Meer dan alleen subsidie

Naast de overheid hebben ook banken aangegeven een financiële bijdrage te leveren, onder andere via rentekortingen op duurzame investeringen voor deelnemende bedrijven. Dit kan van invloed zijn op investeringen in uw bedrijf, zoals in innovaties of grond. Het tijdig verkennen van de (on)mogelijkheden is raadzaam.

Wat betekent dit voor u?

De regeling biedt kansen en vraagt om een zorgvuldige afweging:

  • Wat betekent extensivering voor de waarde en inzet van de grond en de bedrijfsactiviteiten (op termijn)?
  • Wat betekent deelname aan de regeling op lange termijn voor de bedrijfsontwikkeling of bedrijfsopvolging?
  • Wat zijn de fiscale en juridische gevolgen van het definitief laten vervallen van fosfaatrechten?

Onze deskundigen kijken nadrukkelijk naar het grote plaatje; niet alleen naar de subsidie op zich, maar naar de samenhang tussen grond, rechten, vergunningen en toekomstperspectief.

Slot

Wij blijven deze regeling en de verdere uitwerking nadrukkelijk volgen. Als de publicatie en de informatietools beschikbaar zijn, volgt een nadere duiding van de praktische gevolgen en aandachtspunten.