Skip to main content

Waar beleid en praktijk elkaar raken: economie en natuur in samenhang?

In onze dagelijkse praktijk werken wij in het landelijk gebied aan vraagstukken waar economische belangen en natuurdoelen samenkomen. In gesprekken met grondeigenaren, agrarische ondernemers, overheden en initiatiefnemers zien wij dat deze belangen elkaar soms versterken, maar ook onder druk kunnen zetten. De stikstofproblematiek speelt hierin een centrale rol en beïnvloedt al jaren de manier waarop grond wordt gebruikt en ontwikkeld.

Recent publiceerde Wageningen University & Research het rapport De Nederlandse stikstofcrisis: van verwarring naar verbinding. De analyse sluit aan bij wat wij in de praktijk ervaren: de huidige impasse in onder meer de stikstofproblematiek wordt niet zozeer veroorzaakt door onwil, maar door een systeem waarin beleid, juridische kaders en uitvoering onvoldoende op elkaar aansluiten. Dat roept de vraag op of economische ontwikkeling en natuurherstel daadwerkelijk met elkaar te verenigen zijn.

In deze blog hanteren wij GROND als ordenend kader om te laten zien hoe verschillende belangen in samenhang kunnen worden gebracht.

Gebiedsgericht: maatwerk per regio

Generiek stikstofbeleid sluit niet altijd goed aan bij de grote verschillen tussen gebieden. Bodemopbouw, waterhuishouding, historische belasting en huidig landgebruik variëren sterk per locatie, terwijl veel maatregelen toch landelijk en uniform worden toegepast. Hierdoor ontstaan maatregelen die juridisch vaak houdbaar zijn, maar in de praktijk ecologisch en economisch niet overal even effectief zijn.

In Nederland wordt daarom steeds vaker gewerkt met een gebiedsgerichte aanpak, waarbij provincies en gebiedspartners per regio kijken naar de specifieke kenmerken en opgaven, zoals in en rond kwetsbare Natura 2000-gebieden. Onderzoek van onder andere Wageningen University & Research laat zien dat sturen op landelijke gemiddelden en abstracte normen beperkt houvast biedt voor daadwerkelijke milieuwinst. Gebiedsgericht beleid maakt het mogelijk om maatregelen te richten op de lokale knelpunten, waardoor de effectiviteit van stikstofreductie en natuurherstel toeneemt.

Ruimte en Regie: keuzes op hoofdlijnen

Het landelijk gebied staat onder druk door de samenloop van opgaven: landbouw, natuur, woningbouw, energie en waterbeheer. Deze functies kunnen niet overal en tegelijk worden gerealiseerd. Dat vraagt om keuzes. Volledige detailsturing werkt belemmerend, terwijl een volledig open benadering leidt tot versnippering en onzekerheid.

Effectieve regie betekent daarom sturen op hoofdlijnen: duidelijke kaders waarbinnen afwegingen kunnen worden gemaakt. Niet elke keuze hoeft vooraf vast te liggen, maar verantwoordelijkheden en doelen moeten wel helder zijn. Door ruimte te laten voor gebiedsgerichte invulling kan schaarse ruimte doelgericht worden benut, zonder te verzanden in detailsturing of langdurige procedures.

Ondernemerschap: zekerheid voor investeren

Ondernemerschap in het landelijk gebied speelt een belangrijke rol in het gebruik en beheer van de ruimte, maar wordt in beleid niet altijd expliciet meegenomen. Agrarische bedrijven en andere gebiedsgebonden ondernemingen werken vaak met lange investeringshorizonnen en dragen bij aan productie, landschapsbeheer en de leefbaarheid van het platteland. Tegelijkertijd zijn zij sterk afhankelijk van duidelijkheid en rechtszekerheid in regelgeving en vergunningverlening.

Er zijn signalen dat investeringen in verduurzaming of emissiereductie in sommige gevallen worden uitgesteld of heroverwogen, mede door onzekerheid over vergunningverlening en toekomstige beleidsontwikkelingen. In verschillende analyses van Wageningen University & Research wordt benadrukt dat beleid dat vraagt om zeer grote zekerheid over ecologische effecten, terwijl wetenschappelijke onzekerheden inherent blijven, in de praktijk spanning kan geven met innovatie en investeringsbereidheid. Dit vraagt om een zorgvuldige balans tussen milieubescherming, rechtszekerheid en ruimte voor ontwikkeling.

Natuurdoelen: focus op uitvoerbaarheid

Natuurdoelen zijn noodzakelijk om biodiversiteit te beschermen en achteruitgang van ecosystemen te voorkomen, maar vragen om een realistische en uitvoerbare benadering. Stikstofreductie kan bijdragen aan natuurherstel, maar leidt niet automatisch tot herstel van natuurkwaliteit. In de praktijk zijn aanvullende maatregelen zoals gericht natuurbeheer, waterregulatie, bodemverbetering en inrichting van gebieden vaak bepalend voor het daadwerkelijke ecologische herstel.

Wanneer beleid sterk wordt gestuurd op juridische normnaleving, kan de nadruk verschuiven van het realiseren van ecologische verbeteringen naar het voldoen aan procedurele eisen. Dit kan leiden tot complexe besluitvorming en beperkte zichtbare verbetering in de natuurkwaliteit op korte termijn. Een integrale benadering, waarin meerdere omgevingsfactoren in samenhang worden meegenomen, wordt in veel analyses als belangrijk gezien voor effectief natuurherstel.

Dialoog: verbinding tussen beleid en praktijk

Een structurele dialoog tussen beleid, wetenschap en praktijk is in de uitvoering van ruimtelijk en natuurbeleid niet altijd vanzelfsprekend. Beleidsbesluiten worden vaak gebaseerd op modellen, scenario’s en juridische kaders, terwijl de praktische gevolgen vooral zichtbaar worden in het landelijk gebied. Dit kan leiden tot een ervaren afstand tussen beleidsvorming en uitvoering.

Als rentmeesters bevinden wij ons op dit snijvlak tussen beleid, eigendom en gebiedsontwikkeling. Initiatieven zoals de Samenhangende Aanpak Natuurherstel en Economie laten zien dat samenwerking tussen grondeigenaren, ondernemers, overheden en kennisinstellingen kan bijdragen aan het beter verbinden van natuurdoelen met economische en maatschappelijke haalbaarheid.

In verschillende analyses van onder andere Wageningen University & Research wordt benadrukt dat een integrale en samenwerkende benadering in gebieden kan helpen om maatregelen effectiever en beter uitvoerbaar te maken.

Conclusie: samenhang als vertrekpunt

De stikstofopgave maakt zichtbaar dat het huidige stelsel uitdagingen kent in de afstemming tussen beleidsdoelen en uitvoering in de praktijk. In analyses van Wageningen University & Research wordt onder andere beschreven dat de kern van deze problematiek niet uitsluitend technisch van aard is, maar ook samenhangt met de wijze waarop beleid, verantwoordelijkheden en uitvoeringskaders zijn ingericht.

GROND biedt hiervoor een samenhangend denkkader:

  • Gebiedsgericht werken in plaats van generieke normen
  • Sturing op hoofdlijnen, met beperkte detailsturing
  • Ruimte voor ondernemerschap en investeringszekerheid
  • Natuurdoelen gekoppeld aan concreet en uitvoerbaar beheer
  • Structurele dialoog tussen beleid, wetenschap en praktijk

Vanuit dit perspectief kan worden gesteld dat een meer integrale en gebiedsgerichte benadering kan bijdragen aan een aanpak die beter aansluit op de uitvoeringspraktijk. Daarbij gaat het niet om een theoretisch model, maar om een werkbare aanpak waarin verschillende belangen en verantwoordelijkheden in samenhang worden bezien.

Meer lezen

Het volledige rapport van Wageningen University & Research, De Nederlandse stikstofcrisis-Van verwarring naar verbinding, biedt een uitgebreide onderbouwing van analyse en oplossingsrichtingen die in dit artikel zijn besproken.

Sem: extensivering met strategische gevolgen

Op 14 april 2026 heeft de Europese Commissie officieel goedkeuring verleend aan de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem). Daarmee is de staatssteunprocedure afgerond en is de weg vrij voor openstelling van de regeling.

Onze deskundigen volgen deze ontwikkelingen op de voet, omdat de regeling directe gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering, grondpositie, de markt van fosfaatrechten en de strategische keuzes van melkveebedrijven.

Inhoud Regeling

De Sem is gericht op het tijdelijk verminderen van het aantal melkkoeien per bedrijf, met als doel een structurele reductie van stikstof- en broeikasgasemissies te realiseren.

De kernpunten van de regeling op een rij:

  • Deelname is mogelijk voor melkveehouders die in 2025 bedrijfsmatig melkkoeien hielden.
  • Verplichting tot 10-20% vermindering van het aantal melkkoeien ten opzichte van 2025.
  • Het areaal grasland mag niet afnemen.
  • Het aantal overige graasdieren mag niet toenemen.
  • De verplichtingen gelden voor drie jaar, na het definitief doorhalen van bijbehorende fosfaatrechten.

Landelijk is hiervoor een fors budget beschikbaar van € 627 miljoen, waarvan ruim € 615 miljoen daadwerkelijk als subsidie wordt uitgekeerd. De regeling wordt naar verwachting geopend van 1 juni tot en met 29 juli 2026.

Financiële componenten

De subsidie bestaat uit twee onderdelen:

  1. Inkomenscompensatie:
    € 1.606 per verminderde melkkoe per jaar (inclusief transactiekosten), gedurende drie jaar.
  2. Vergoeding voor doorgehaald fosfaatrecht:
    € 110 per kg fosfaatrecht, gebaseerd op de gemiddelde marktprijs over 2023-2025, uitbetaald in drie gelijke jaarlijkse termijnen.

Belangrijk is te bedenken dat het fosfaatrecht definitief wordt doorgehaald en niet meer kan worden verhandeld of gebruikt na drie jaar.

Relatie met vergunningen en toekomstkeuzes

Interessant is dat het kabinet expliciet aangeeft dat bij extensivering binnen deze bandbreedte geen sprake is van een structurele wijziging van het project, zolang de bedrijfsopzet gelijk blijft. Daarmee zou deelname in beginsel binnen de bestaande natuurvergunning moeten passen. Provincies blijven hierbij wel een belangrijke gesprekspartner voor het ministerie.

Na afloop van de driejarige periode is terugkeer naar het oorspronkelijke aantal melkkoeien alleen mogelijk met nieuw aangekochte of geleasede fosfaatrechten. Dat maakt deelname aan deze regeling nadrukkelijk een strategische keuze voor de middellange termijn.

Overweging

Ter overweging wil ik u nog een gedachtegang meegeven over het kernpunt ‘areaal grasland’ van Sem. Een van de voorwaarden van Sem is dat het areaal niet mag afnemen. Van belang is om na te denken over wat wenselijk is voor uw eigendom en/of binnen uw bedrijfsvoering voor de komende drie jaar. Niet alleen voor nu, ook voor de periode na afloop van de regeling.

Wat zijn de gevolgen als u na de driejaarstermijn omschakelt naar een ander grondgebruik?

Kan dat dan nog? Wat betekent dit voor de waarde van uw bezit, zowel in vermogen als anderszins, bijvoorbeeld verandering en waardering voor het landschap?

Meer dan alleen subsidie

Naast de overheid hebben ook banken aangegeven een financiële bijdrage te leveren, onder andere via rentekortingen op duurzame investeringen voor deelnemende bedrijven. Dit kan van invloed zijn op investeringen in uw bedrijf, zoals in innovaties of grond. Het tijdig verkennen van de (on)mogelijkheden is raadzaam.

Wat betekent dit voor u?

De regeling biedt kansen en vraagt om een zorgvuldige afweging:

  • Wat betekent extensivering voor de waarde en inzet van de grond en de bedrijfsactiviteiten (op termijn)?
  • Wat betekent deelname aan de regeling op lange termijn voor de bedrijfsontwikkeling of bedrijfsopvolging?
  • Wat zijn de fiscale en juridische gevolgen van het definitief laten vervallen van fosfaatrechten?

Onze deskundigen kijken nadrukkelijk naar het grote plaatje; niet alleen naar de subsidie op zich, maar naar de samenhang tussen grond, rechten, vergunningen en toekomstperspectief.

Slot

Wij blijven deze regeling en de verdere uitwerking nadrukkelijk volgen. Als de publicatie en de informatietools beschikbaar zijn, volgt een nadere duiding van de praktische gevolgen en aandachtspunten.

Doelsturing in Brabants stikstofbeleid

Brabant gooit het stikstofroer om: boeren krijgen ruimte voor vakmanschap

De provincie Noord-Brabant zette jarenlang in op het terugdringen van stikstofuitstoot via stalemissiereductie. De focus lag op technische maatregelen in stallen. Tot vorige week…

Het oude stallenbeleid: veel techniek, weinig vertrouwen

Brabant gooit het oude stallenbeleid resoluut overboord. De inzet van dat beleid was het terugdringen van ammoniakuitstoot uit stallen met landbouwhuisdieren. Of het nu ging om varkens-, pluimvee- of (melk)rundveestallen: als ze ouder waren dan vijftien of twintig jaar, moesten ze worden gemoderniseerd.

Maar deze aanpak bleek in de praktijk allesbehalve succesvol. De technieken werkten niet altijd zoals beloofd, de juridische houdbaarheid ervan was twijfelachtig, en het vertrouwen onder veehouders raakte ernstig beschadigd. Tijd dus voor een rigoureuze koerswijziging. En geef het provinciebestuur eens ongelijk.

Doelsturing: ruimte voor vakmanschap en maatwerk

Bovenaan het nieuwe beleidsdocument prijkt straks in koeienletters: DOELSTURING.

Een term die klinkt als een frisse wind, maar wat betekent het eigenlijk? Kort gezegd: niet langer voorschrijven hóe boeren hun stikstofuitstoot moeten verminderen, maar wél vastleggen wát ze moeten bereiken. Het gaat om het doel, niet om de methode.

Veehouders krijgen de ruimte om hun vakmanschap in te zetten en zelf te bepalen hoe ze emissies reduceren. Of dat nu via managementmaatregelen, mestaanpak of andere innovatieve oplossingen is.

Een gedurfde aanpak, dat zeker. En ja, het beleid behoeft nog nadere uitwerking. Maar de politieke wil om het stikstofprobleem écht aan te pakken is eindelijk voelbaar. En dat is winst.

Juridische strijd ondermijnt vertrouwen

Veehouders hebben zich altijd bereid getoond om mee te denken en mee te werken aan oplossingen. Toch werd bij vergunningverlening nauwelijks rekening gehouden met hun bedrijfsvoering – niet op het erf, niet op de landbouwgronden, en ook niet met de maatregelen die zij zelf wilden inzetten. Alles draaide om staltechniek.

En juist die techniek bleek keer op keer juridisch kwetsbaar. Wie een emissiereducerende techniek toepaste, kon erop rekenen dat hij vroeg of laat in een juridische procedure belandde. De werking van staltechnieken is inmiddels een vast onderdeel van rechtszaken geworden.

Een beleid dat uitsluitend leunde op techniek, waarvan de effectiviteit juridisch werd betwist, leidde tot groot wantrouwen onder veehouders. Het geloof in het behalen van emissie- en natuurdoelen verdween als sneeuw voor de zon.

Vertrouwen als basis

Met het nieuwe doelsturingsbeleid krijgen veehouders eindelijk de kans om hun vakmanschap te tonen. Zij zullen bewijzen dat doelsturing bij hen in goede handen is. Het is een aanpak die lef vraagt van de overheid, maar ook vertrouwen geeft aan de sector.

Een koerswijziging met potentie. En met draagvlak onder veehouders.

De hoogste tijd voor de vergunningvrije verduurzamings-activiteit?

Naar aanleiding van de Kamerbrief ‘Startpakket Nederland van het slot’ van 25 april 2025, ligt van 25 augustus tot en met 5 oktober 2025 een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) ter consultatie. Iedereen kan hierop reageren. Het gaat om de ‘AMvB vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten’ (hierna: ‘AMvB’)

BBB heeft genoeg van het eindeloze gedraal

We zijn er na 6,5 jaar (!) nog altijd niet in geslaagd om de stikstofpuzzel met elkaar op te lossen. Maar, er lijkt een lichtpuntje waarneembaar, want de AMvB lijkt een stapje in de goede richting te zijn. Daarbij zijn de economie, natuur en (het vestigingsklimaat voor) de bedrijvigheid in Nederland gebaat.

Laten we deze AMvB omarmen als het begin van het einde van het tijdperk, waarin de stikstofproblematiek nagenoeg onveranderd groot in stand is gebleven. Dit, ondanks alle goedbedoelde intenties van velen.

Doel van de AMvB

Het doel van de AMvB is om verduurzamingsactiviteiten mogelijk te maken, ook al leiden deze tijdelijk tot een hogere emissie.

Criteria voor vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten

Een activiteit kwalificeert als ‘vergunningvrije verduurzamingsactiviteit’, wanneer de activiteit voldoet aan onderstaande criteria:

  • Minimaal 30% reductie van de oorspronkelijke stikstofemissie van de bestaande activiteit. Het percentage kan nog wijzigen als gevolg van een nadere ecologische onderbouwing;
  • Toename van stikstofemissie is toegestaan bij de realisatiefase, mits deze tijdelijk is (hoogstens drie jaar) en niet meer dan vijfmaal de emissiereductie is na wijziging van de bestaande activiteit;
  • De activiteit mag niet gepaard gaan met uitbreiding in omvang van de bestaande activiteit, voor zover omvang verband houdt met stikstofemissie;
  • De activiteit mag niet door andere factoren significante nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000.

Relatie met natuurvergunningen

De activiteiten die zijn gericht op stikstofreductie worden beschouwd als maatregelen voor de natuur die zijn uitgezonderd van de natuurvergunningplicht.

De AMvB draagt bij aan de verduurzaming van projecten die al een natuurvergunning hebben en richt zich op activiteiten die leiden tot vermindering van stikstofemissie, zonder dat sprake is van uitbreiding in omvang van de activiteit, want dan kan een activiteit als ‘beheer van een gebied’ worden beschouwd.

Er is dan ook sprake van aanpassing van een bestaand project ex artikel 6.3 Hbr, waarvoor geen nieuwe omgevingsvergunning benodigd/vereist is.

Winstwaarschuwing: geen uitbreiding met stikstofruimte

Een winstwaarschuwing ten aanzien van de ‘stikstofwinst’ die wordt behaald met emissiereductie: de emissiereductieruimte die als gevolg hiervan ontstaat mag niet worden opgevuld met uitbreiding in omvang.

Innovatie: noodzakelijk maar kostbaar

Bovenstaande lijkt in het licht van doelmatigheid van de AMvB logisch, maar innoveren in emissie- reducerende technieken drukt aanzienlijk op de kostprijs. Daarom het volgende:

  • Investeren in innovatie is veelal een kostbare aangelegenheid.
    Als verduurzaming niet met uitbreiding mag worden bekostigd (hetgeen met het oog op doelmatigheid van de AMvB niet onredelijk lijkt) is het nodig dat de overheid ervoor zorgt dat er voldoende subsidiebudget en -(keuze)mogelijkheden bestaan.
    De aard en omvang van huidige stikstofbronnen zijn immers zeer divers, daarom is het gewenst om maatwerk te bieden, om stikstofreductie via de AMvB tot een succesverhaal te maken.

  • Veel marktpartijen willen graag stikstof reduceren, maar veelal luidt de vraag: hoe dat te doen?
    De investering in innovatie moet juridisch geborgd zijn. De resultaten van innovatie worden regelmatig in twijfel getrokken.
    Echter, innovatie is altijd een van de sleutels tot succes geweest in en voor Nederland. Het behouden of zelfs versterken van voldoende innovatiekracht is belangrijk, voor nu en in de toekomst.
    Daarom is het van belang dat ook de overheid zich blijft inzetten voor erkenning en ontwikkeling van nieuwe emissie reducerende technieken. Anders zijn we binnen de kortste keren uit-gereduceerd.

Voorbeelden van emissiereducerende technieken

Voorbeelden van de emissie reducerende technieken zijn Lely Sphere (rundveehouderij), maar ook bijvoorbeeld naverbranders, gaswassers of biofilters (industrie).

Vragen?

Als u vragen heeft over stikstof neemt u dan contact op met onze deskundigen.

Positieve uitspraak bestemmingsplan Valkenhorst

Raad van State oordeelt over stikstof en woningbouw Valkenhorst. Het bestemmingsplan blijft in stand en de stikstofonderbouwing is in één keer op orde.

Op 11 december 2024 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak rondom het bestemmingsplan Valkenhorst in de gemeente Katwijk. Dit bestemmingsplan, gericht op onder andere de bouw van 5.600 woningen, kende onder meer de nodige uitdagingen op het gebied van stikstof. In deze blog belicht ik de belangrijkste uitdagingen.

Achtergrond van het plan

Het plangebied van Valkenhorst beslaat 475 hectare en bevindt zich op het voormalige Marinevliegkamp Valkenburg. Het bestemmingsplan faciliteert de ontwikkeling van een woon-, werk- en recreatiegebied. Hoewel de behoefte aan nieuwe woningen groot is, staan ecologische zorgen, met name rondom stikstofuitstoot en natuurgebieden, centraal in de bezwaren tegen het plan. De Raad van State heeft zich uitgesproken over een aantal cruciale punten die van belang zijn voor de dagelijkse praktijk.

Stikstof en de natuurlijke omgeving

Een belangrijk twistpunt was de stikstofuitstoot die gepaard gaat met de ontwikkeling, de bouw en het gebruik van het gebied. Overwater Rentmeesterskantoor speelde namens de initiatiefnemers een adviserende rol bij dit plan en droeg oplossingen aan voor het stikstofprobleem.

De activiteiten in Valkenhorst liggen nabij kwetsbare Natura 2000-gebieden, zoals Meijendel & Berkheide. Volgens de Wet natuurbescherming, die van toepassing was op het moment van vaststellen van het plan, mag een nieuw plan niet leiden tot een significante verslechtering van deze natuurgebieden. Eén van de belangrijke onderdelen in de wet is stikstofdepositie op een overbelast Natura 2000-gebied.

Salderen

Het plan maakt gebruik van intern salderen, waarbij de stikstofruimte van andere, vaak agrarische, bedrijven wordt ingetrokken om de impact van nieuwe ontwikkelingen te compenseren. Dit is een gangbare praktijk binnen de stikstofregelgeving, maar vereist nauwkeurige onderbouwing.

De Raad van State stelde vast dat de gemeente Katwijk in dit geval voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de stikstofruimte daadwerkelijk beschikbaar is en dat deze compensatie rechtmatig is.

Een belangrijk aspect in deze zaak was dat de gemeente met behulp van Overwater Rentmeesterskantoor een uitvoerige onderbouwing had gemaakt van de feitelijke en juridische situatie van de agrarische bedrijven en de gronden. De onderbouwing bestond uit foto’s, een proces verbaal van een deurwaarder en stallijsten van de agrarische bedrijven. Daarnaast is een uitvoerige onderbouwing overlegd van de juridische status van de natuurtoestemmingen van de bedrijven. In vaktermen noemen we dit het onderbouwen van de referentiesituatie.

Beoogde situatie en borging

Een ander aspect dat veel aandacht kreeg in de zaak en waar de gemeente de Afdeling mee overtuigde, was de borging van de maatregelen. In het bestemmingsplan zijn verbodsbepalingen opgenomen die ervoor zorgen dat de stikstof waarmee gesaldeerd wordt, pas ingezet kan worden nadat de bestaande vergunningen zijn ingetrokken.

Tevens bevat het plan bepalingen over bouwtempo, verkeersafwikkelingen en bepalingen op het gebied van sfeerhaarden.

Randeffecten

Een element dat niet eerder in een uitspraak van de Afdeling aan de orde is geweest, betreft het element randeffecten. Stikstofdepositie wordt berekend door middel van het rekenmodel AERIUS. Dit model kent sinds de ViA15 uitspraak een vaste afkapgrens van 25 km. Dit zorgt ervoor dat iedere bron binnen het gebied in het rekenmodel na 25 km geen effect meer veroorzaakt.

Doordat de saldogevende activiteiten nooit volledig op dezelfde plaats plaatsvinden als de saldo ontvangende activiteiten, ontstaat aan de randen rekenkundig toch nog een extra stikstofdepositie. Dit noemen we randeffecten.

Deze randeffecten zijn door de gemeente uitvoerig onderbouwd doormiddel van schaduwberekeningen zonder afkap op 25 km. Deze onderbouwing werd door de Afdeling als voldoende beschouwd.

Breder perspectief: wat betekent dit voor de praktijk?

De uitspraak is onderdeel van een breder patroon waarin juridische toetsing van stikstofplannen steeds belangrijker wordt. Projecten zoals Valkenhorst tonen aan dat bouwen dichtbij een Natura 2000-gebied mogelijk is.

De stikstofproblematiek is een mogelijk struikelblok voor woningbouw en economische ontwikkeling in Nederland. Toch laat deze uitspraak zien dat, met de juiste maatregelen en een doordachte aanpak, vooruitgang mogelijk is.

De onderbouwing is hierbij van groot belang en dat is werk voor specialisten die kennis hebben van zowel de juridische als de feitelijke praktijk.

Verplaatsingsregeling: Kans of moeilijk te grijpen vogel in de lucht?

Op 2 september 2024 publiceerde het ministerie van LVVN twee nieuwe regelingen die boeren, die verder willen met landbouwhuisdieren, perspectief kunnen geven.

De eerste regeling betreft de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (Lvvp).

De tweede regeling betreft de Subsidiemodule brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv).

Deze regelingen  zijn onderdeel van het inmiddels bijna voltooide “trappetje” van Remkes. Alleen de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) voor de kleine sectoren volgt nog.

In dit artikel behandel ik de Lvvp-regeling, waarbij ik met name in wil gaan op de kansen die de regeling biedt en twee aandachtspunten. Als eerste de inhoud van de regeling.

Het totale budget voor de regeling bedraagt € 105.000.000,- verdeeld over twee modules. Het “Haalbaarheidsonderzoek” (€ 15.000.000,-) en de “Bedrijfsverplaatsing” (€ 90.000.000,-). De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen. Een goede en tijdige voorbereiding zijn dus vereist.

De regeling staat alleen open voor ondernemingen die kunnen worden aangemerkt als “piekbelaster”.

Haalbaarheidsonderzoek

Voor het uitvoeren van het haalbaarheidsonderzoek kan een aanvrager maximaal € 50.000,- subsidie verkrijgen voor 95% van de te maken kosten voor:

  • Een bedrijfseconomische analyse inzake de haalbaarheid van de verplaatsing.
  • Een taxatierapport van de vervangingswaarde van de te verlaten locatie (sterke invloed om maximale subsidie).
  • Een onderzoek naar ontwikkelingsmogelijkheden van de te verlaten locatie.
  • Een onderzoek naar de financieringsmogelijkheden voor de verplaatsing.
  • Een onderzoek naar de fiscale gevolgen van de verplaatsing.
  • Een door een makelaar of rentmeester uitgevoerd onderzoek naar één of meerdere hervestigingslocaties.
  • Een taxatierapport van de marktwaarde van de hervestigingslocatie.
  • Een bouwkundig onderzoek van de hervestigingslocatie.

De betrokken adviseurs zullen zoals vanzelfsprekend aantoonbaar deskundig zijn waarbij voor de taxateur de verplichting geldt dat deze is aangesloten bij het NRVT en ingeschreven moet zijn in de Kamer Landelijk en Agrarisch vastgoed.

Een belangrijk uitgangspunt voor alle berekeningen en onderzoeken is dat de subsidie van zowel het haalbaarheidsonderzoek als de bedrijfsverplaatsing, alleen zien op de bedrijfsgebouwen van de onderneming en dus niet op het erf, de omliggende grond en de bedrijfswoning. Zeker in het kader van de (voor)financiering van de verplaatsing moet hier extra aandacht voor zijn.

Bedrijfsverplaatsing

Voor de daadwerkelijke bedrijfsverplaatsing komt een aanvrager in beginsel in aanmerking voor 100% subsidie op de kosten van de verplaatsing (er zijn twee uitzonderingen). De kosten waarvoor subsidie kan worden aangevraagd zijn:

  • Het demonteren van de gebouwen op de te verlaten locatie.
  • De kosten voor het verhuizen van bouwwerken, voorzieningen en landbouwhuisdieren.
  • Het herbouwen van bouwwerken op de hervestigingslocatie.
  • De aankoopsom van de bouwwerken op de hervestigingslocatie en vervanging van gebouwen (maximaal vervangingswaarde te verlaten locatie).
  • De kosten voor eventuele vervanging van gebouwen die voor meer dan 50% afgeschreven zijn.
  • Proceskosten (notaris, overdrachtsbelasting, kadaster, vergunningen, bouwkundige keuring).
  • De kosten voor modernisering van de hervestigingslocatie 65% van de kosten tot maximaal
    € 100.000,-. Voor jonge landbouwers is de vergoeding 80% van de kosten tot maximaal € 100.000,-.
  • De kosten voor inhuur van deskundigen (makelaar, taxateur, accountant, RO-adviseur) 95% tot een maximum van € 25.000,-.
  • De sloopkosten tot maximaal € 45,- per m² gebouw op de te verlaten locatie. Gebaseerd op offertes.

Belangrijke uitgangspunten voor de verplaatsing zijn dat de nieuwe locatie geen piekbelaster mag zijn of worden door de verplaatsing. Daarnaast wordt een eventuele uitbreiding niet gesubsidieerd. Als een aanvrager wil uitbreiden dan kan dat, maar voor de uitbreiding wordt geen subsidie verleend.

Een hervestigingslocatie mag in Nederland liggen maar ook in een ander EU-land. Uiteraard moet de aanvrager in het buitenland ook aantoonbaar aan alle wettelijke verplichtingen gaan voldoen en eventuele vergunningen vertaald in het Nederlands ter beschikking stellen. De regeling zegt niets over intrekken van dierrechten of fosfaatrechten. Bij een verplaatsing naar het buitenland kan dit een financieel voordeel opleveren. Voor varkens en pluimvee kan een wijziging van regio een aandachtspunt zijn. 

Kans of vogel in de lucht?

De verplaatsingsregeling biedt kansen voor veehouders die verder willen en perspectief zoeken op de lange termijn. De regeling is goed doordacht en biedt bijna 100% vergoeding van de kosten.

Aanvragers kunnen daarbij moderniseren omdat de subsidie voor de hervestigingslocatie is gemaximeerd op de vervangingswaarde van de te verlaten locatie. Hier ligt de ruimte voor een verbetering in productiefaciliteiten.

Een belangrijk aandachtspunt voor de verplaatsing is de financieringsstructuur. Het zal in de praktijk onmogelijk zijn om de kasstromen allemaal op elkaar af te stemmen omdat alleen de bedrijfsgebouwen onder de subsidie vallen. Hierdoor moet een stuk voorfinanciering plaatsvinden van de bedrijfswoning, het erf en de cultuurgronden.

Een tweede aandachtspunt voorafgaand aan de bedrijfsverplaatsing is het vinden van een geschikte locatie voor de verplaatsing. De haalbaarheidsmodule van de regeling biedt de mogelijkheid om het onderzoek hiernaar te vergoeden. Dit onderzoek bepaalt in belangrijke mate de kans van slagen van de verplaatsing.

De regeling voor het haalbaarheidsonderzoek gaat open op 2 december 2024. De module voor de bedrijfsverplaatsing zal opengaan op 6 januari 2025.

GOL weer stapje dichterbij

Op 14 februari 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2024:625) over twee Noord- Brabantse provinciale inpassingsplannen (PIP), namelijk die van de ‘Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat Oost’ en ‘Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat West’ (hierna: GOL).

In de zeer lezenswaardige en omvangrijke uitspraak passeren diverse aspecten de revue. Ik houd de inhoud van deze blog beperkt tot het onderdeel over externe saldering.

Provincie Noord- Brabant heeft bij de benodigde Wnb-vergunningverlening gebruik gemaakt van de (per 1 januari 2024 vervallen) Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant, waarin onder meer de voorwaarden voor externe saldering zijn opgenomen. In deze blog zijn artikelen 2.7, lid 7 en 8 van voormelde Beleidsregel van belang.

Lid 7:

‘Bij het beoordelen van een aanvraag hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd.’

Lid 8:

‘Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het zevende lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van intrekking of wijziging van de toestemming of het sluiten van een overeenkomst op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.’

Waar gaat het geschil over?

Het geschil in deze zaak gaat over de vraag of al dan niet wordt voldaan aan het vereiste van de voor het uitvoeren van de activiteit noodzakelijk aanwezige voorzieningen. De Afdeling is van oordeel dat bij deze voorwaarde van belang is of dat de veehouderij materieel daadwerkelijk is opgericht, zodat niet wordt gesaldeerd met toestemmingen, waarvan nooit feitelijk gebruik kan zijn gemaakt.

Eisers stelden zich op het standpunt dat een van de veehouderijlocaties waarmee externe saldering plaatsvond, niet aan de voormelde voorwaarden uit lid 7 en 8 voldeed. Het is duidelijk gebleken dat de veehouderijlocatie is opgericht, in werking is geweest en nog steeds aanwezig is. Volgens eisers waren de noodzakelijke voorzieningen niet meer aanwezig, omdat:

  1. de fosfaatrechten, die noodzakelijk zouden zijn voor het uitvoeren van de activiteit, reeds zijn verkocht;
  2. de installaties zo verouderd zijn en spoedig op grond van de Interim omgevingsverordening vervangen dienen te worden dat niet wordt voldaan aan de vereisten.

De Afdeling laat in overweging 44.2 van deze tussenuitspraak duidelijk blijken dat het bij feitelijk gerealiseerde capaciteit gaat om ‘…gebouwen, infrastructuur, installaties of overige voorzieningen die nodig zijn voor het uitvoeren van een activiteit…’.

Onder ‘overige voorzieningen’ wordt bijvoorbeeld terreinen ingericht voor op- en overslag verstaan. Dit citaat volgt uit de toelichting van de Beleidsregel intern salderen. De Afdeling ziet in deze zaak geen grond om ‘feitelijk gerealiseerde capaciteit’ anders te benaderen dan bij ‘intern salderen’.

Het is bij de beoordeling dan ook niet van belang of de veehouderij beschikt over fosfaatrechten. Immers, externe saldering geschiedt met een ‘toestemming’ op grond van artikel 2.1 Beleidsregel. Hieruit volgt niet dat fosfaatrechten noodzakelijk zijn bij salderen. De noodzaak hiervan blijkt evenmin uit andere voorwaarden van de Beleidsregel.

Eiser stelde zich ook op het standpunt dat de veehouderlocatie niet op een rendabele wijze kan worden voortgezet, omdat de installaties verouderd zijn (zie voormeld onder punt 2.) De Afdeling is van oordeel dat het niet van belang is of de voorzieningen bij de veehouderijlocatie economisch rendabel zijn. Dit is van belang bij beantwoording van de vraag of dat de veehouderij materieel daadwerkelijk in werking kon zijn en is geweest conform de vergunning.

Conclusie

Conclusie van bovenstaande is dat er voldaan is aan de voorwaarden uit artikel 2.7 lid 7 en 8 van de Beleidsregel en de saldering op grond hiervan doorgang kan vinden, ware het niet dat er andere belangrijke aspecten nadere motivering behoeven, die in deze blog niet aan de orde komen.

In onze praktijk krijgen we vaker vragen over de mogelijkheden van extern salderen en over de waarde van de te salderen depositie. Voornoemde uitspraak onderschrijft nogmaals het belang om alle aspecten bij extern salderen vooraf goed te toetsen.

Meer weten? Overweegt u ook om extern salderen toe te passen? Of heeft u andere vragen over het stikstofdossier en/of landelijk en agrarisch vastgoed? Neem dan contact met ons op!

NV-gebieden en stikstof

Op 5 december 2023 verscheen het bericht van demissionair minister Adema over de aanwijzing van zogenaamde NV-gebieden. In deze blog zet ik kort en bondig uiteen wat dit betekent in de praktijk van de agrarische sector.

Wat zijn NV-gebieden?

Nutriënt verontreinigde (NV-) gebieden zijn gebieden waarin per 1 januari 2024 de stikstofgebruiksnorm omlaag gaat.

De stikstofgebruiksnorm is de hoeveelheid stikstof die jaarlijks met dierlijke mest op het land gebracht mag worden. De agrariërs gaan de gevolgen hiervan zeker merken. Welke dat onder andere kunnen zijn, leest u hieronder.

Achtergrond NV-gebieden

Nederland is een van de EU-landen die naar Europese landbouwregelgeving in aanmerking komt voor een derogatiebeschikking. Kort gezegd betekent dit dat Nederlandse landbouwbedrijven die meedoen aan ‘derogatie’ meer dierlijke mest op een hectare landbouwgrond mogen uitrijden, mits zij voldoen aan een aantal voorwaarden.

De Europese Commissie heeft in september 2022 met Nederland afspraken gemaakt over het verlengen van de (mogelijkheid voor Nederlandse bedrijven tot deelname aan de) derogatieregeling. De aanwijzing van (nieuwe en uit te breiden) NV-gebieden is onderdeel van de afspraken in het kader van de hiervoor bedoelde afspraken.

Om de kwaliteit van het grondwater en/of oppervlaktewater te verbeteren gelden in de NV-gebieden strengere regels voor het uitrijden van dierlijke mest.

Praktijkvoorbeeld

Ter verduidelijking heb ik hierna een eenvoudig praktijkvoorbeeld uitgewerkt op basis van onderstaande informatie:

  • Melkveebedrijf met 100 koeien doet mee aan derogatie > toestemming om i.c. 230 kg stikstof (N) per hectare (ha) aan dierlijke mest uit te rijden in plaats van 170 kg N;
  • Areaal 45 ha landbouwgrond;
  • 1 kuub (m³) dierlijke mest bevat 4 kg stikstof;
  • 1 koe produceert i.c. 25 m³ mest;
  • 1 koe produceert 4 x 25 = 100 kg N aan dierlijke mest.

De agrariër uit het praktijkvoorbeeld heeft een mestplaatsingsruimte (dierlijke mest) van:

NU > 45 ha x 230 kg N =10.350 kg N
STRAKS > 45 ha x 170 N = 07.650 kg N
Verschil:   02.700 kg N

Wat betekent dit verschil in de praktijk van het voorbeeldbedrijf?

  • De agrariër mag 2.700 kg N minder dierlijke mest, dus ( 2.700 / 4 ) 675 m³, uitrijden. Concreet geldt voor dit bedrijf dat het 675 m³ mest extra zal moeten afvoeren van het eigen bedrijf naar elders.
  • De 675 m³ dierlijke mest die wordt afgezet tegen een prijs in euro’s ( € ) / m³ in een mestmarkt die, om meerdere redenen, steeds krapper lijkt te worden. Mestafzetkosten variëren aanzienlijk. Dit hangt onder meer af van de landsregio, tijdsperiode van de afzet, type mest, financiële staat/resultaten behaald in diverse sectoren, alternatieven voor dierlijke mest (en de kosten hiervan), et cetera. In dit voorbeeld gaan we uit van een afzetprijs per m³ dierlijke mest van € 30,-.

In het praktijkvoorbeeld leidt dit tot een extra kostenpost van ruim € 20.000,- die ten laste komt van het bedrijfsresultaat van de agrariër.  

Maatwerk in plaats van generieke korting

Mest is een voedingsstof voor bodem. De agrariër wenst over het algemeen een goede oogstopbrengst (kg product/per ha). Hiervoor dient de bodem wel voldoende en de juiste voedingsstoffen binnen te krijgen, o.a. door het toedienen van mest. De krapper toegestane hoeveelheid dierlijke mest op landbouwgrond zal (deels) opgevuld gaan worden door alternatieven, zoals kunstmest. In de sector wordt dit ervaren als in tegenspraak met de gewenste ‘kringlooplandbouw’.

Er vindt een generieke korting plaats, zonder dat er rekening wordt gehouden met en aandacht wordt besteed aan het type grond, welk gewas er staat en eerder heeft gestaan, hoe de bedrijfsvoering van de agrariër in elkaar steekt, enzovoorts.

Kortom, de overheid stuurt met het middel van ‘generieke korting’. Het is wenselijk als er meer maatwerk geleverd kan worden. Wat moet kunnen met alle gegevens die beschikbaar zijn op bedrijfsniveau en perceelniveau.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Julian Bartels.

Uit de praktijk: onteigening voor de verbreding van de A27

En dan nu de verkeersinformatie. ‘Op de rijksweg A59 bij knooppunt Hooipolder richting Gorinchem staat een file die een vertraging geeft van 20 minuten.

Hoe komt het toch dat er al veel jaren over de files gesproken en geschreven wordt, maar dat de files bij het knooppunt Hooipolder alleen maar langer worden?

Onteigening kun je maar één keer goed doen

In 2016, inmiddels 7 jaar geleden, werd het ontwerp tracébesluit gepubliceerd. De A27 tussen Houten en knooppunt Hooipolder wordt verbreed. Vele informatieavonden, bijeenkomsten en nieuwsbrieven volgen. En het aantal files wordt intensiever. De eerste grondeigenaren langs het tracé worden in de zomer van 2016 benaderd door grondverwervers, in opdracht van Rijkswaterstaat.

Omdat er gesproken wordt over stroken grond verkopen en nog veel onduidelijk blijkt, worden wij door grondeigenaren benaderd die advies en begeleiding vragen. Begrijpelijk, voor een agrariër/grondeigenaar is zo’n verkoop geen alledaagse kost. Je kunt zoiets maar één keer goed doen. Een dergelijke transactie is ingrijpend en ingewikkeld voor de grondeigenaar, die er vaak maar eenmaal in het leven mee te maken krijgt.

Grond ruilen voor grond

(Te) Veel gesprekken worden gevoerd met meerdere grondverwervers. Dit kwam omdat er gedurende een aantal jaren personele wisselingen waren, waardoor er verschillende grondverwervers aan tafel zaten.

Zoals vaak willen de agrariërs gecompenseerd worden met grond. Dus ruilen van landbouwgrond tegen landbouwgrond.

Dat wil één van onze opdrachtgevers ook. Logisch als je je met hart en ziel inzet voor je bedrijf. Dan wil je geen grond afstaan zonder te weten of er compensatie is. Maar helaas blijkt compensatie ingewikkelder dan gedacht. De vele stroken grond zijn onmogelijk te compenseren. En ook dat heeft Rijkswaterstaat gedurende de onderhandelingen steeds meer op het netvlies.

Grondeigenaar wil compensatie voor schade

Na enkele jaren van gesprekken met de cliënt en de grondverwervers (!) – en vele files verder – komt de Staat tot een besluit om een finaal aanbod voor aankoop te doen. En over het aanbod is cliënt niet tevreden.

Dus rest voor hem uiteindelijk een gang naar de Rechtbank om gecompenseerd te worden voor de optredende schade. Niet om er beter van te worden. Dat zal niet (direct) slagen. Met de onteigening wordt tenslotte het eigendom ontnomen. Volledige schadeloosstelling is het hoogst haalbare.

Schade files groter dan premie voor grondeigenaren

Hoe kan het gebeuren dat er tientallen onteigeningen nodig zijn om te kunnen beschikken over het benodigde eigendom voor de verbreding van zo’n belangrijke verkeersader? Is hier de schade van de files niet vele malen groter dan het doen van een zodanig aanbod aan de grondeigenaren zodat ze wel akkoord gaan?

Wat de exacte reden is van het aantal onteigeningen is mij onduidelijk. Het onderschrijft in elk geval dat uit eerder onderzoek is gebleken dat de eerste aanbieding zelden tot nooit leidt tot directe overeenstemming. Niet aannemelijk is dat het aan de voorbereidingstijd ligt. Immers tussen het eerste ontwerptracé en het finale aanbod zijn zomaar 6 jaar tijd en vele files verstreken.

Weer een nieuwe verkeersinformatie: De vertraging ter hoogte van knooppunt Hooipolder richting Gorinchem bedraagt inmiddels 45 minuten.”

Laag bod van de Staat zorgt voor onnodige vertraging en kosten

In veel dossiers kan de vraag worden gesteld wat de meerwaarde is geweest van een (te) laag aanbod in het begin om uiteindelijk van de rechter te moeten vernemen dat de vergoeding meer dan 35% hoger wordt vastgesteld.  

De werkelijke prijs komt uiteindelijk aan de grondeigenaar toe. Maar alle gemaakte juridische-, deskundigen- en advieskosten van de betrokken partijen dienen ook vergoed te worden. Ofwel: de kosten voor de Staat liggen veel hoger dan voorzien.

Een procedure kost immers al gauw meer dan € 30.000,00 per zaak en dat had wellicht voorkomen kunnen worden door eerdere aanbiedingen op een acceptabel niveau uit te brengen. Dat vergroot de kans op overeenstemming en vermijdt ergernis en procedures, die veel tijd en geld kosten.  

Goedkoop is duurkoop

De advocaat van de Staat doet met regelmaat een verzoek aan de rechter voor matiging van de deskundigen- en/of juridische kosten. Een kritische blik is goed. Maar naar mijn mening is het voordeliger  voor de Staat om bij aanvang van de verwervingen, binnen alle regels die daarvoor gelden, biedingen uit te brengen waarmee grondeigenaren eerder kunnen instemmen. Daarmee worden veel juridische kosten en kosten van deskundigen bespaard. Dat is effectiever dan, in het zicht van de haven, matiging van de reeds gemaakte kosten proberen binnen te halen.

Goed advies betaalt zich uit

Cliënt is zeker tevreden over onze inzet en de ingeschakelde advocaat. Het beoogde resultaat is bereikt. Maar helaas zijn we inmiddels ruim zes jaar verder en zijn de files nog niet opgelost. En dat zal zeker nog wel vijf jaar duren.

Wij blijven graag ondersteuning bieden aan grondeigenaren en pachters die grond moeten afstaan vanwege overheidsingrijpen. Ook blijven we hopen op een verbetering van de aankoopstrategie van de overheid.

Wordt u benaderd door de overheid? U kunt ons bereiken op info@ovtr.nl of contact opnemen met Arno Huysmans voor advies.

De oude PAS in een nieuwe jas?

De subsidieregelingen Lbv en Lbv-plus zijn inmiddels alweer ruim twee maanden open. Het is nog onbekend hoeveel en welke veehouderijlocaties uiteindelijk gebruik maken van de deelnamemogelijkheden aan de regelingen.

Het is daarom nu nog niet in te schatten hoeveel en waar dat er stikstofruimte vrijkomt. De overheid heeft natuurlijk de wettelijke taak op zich genomen om de PAS-melders te legaliseren, maar heeft daarvoor wel stikstofruimte nodig, deels afkomstig uit bronmaatregelen, waaronder de Lbv en Lbv-plus.

Subsidieregelingen benutten voor legalisatie PAS-meldingen?

In de Kamerbrief van 24 april 2020 is een maatregelenpakket, als onderdeel van de structurele aanpak stikstof, opgenomen. Hierin staat bijvoorbeeld de bronmaatregel ‘Landelijke beëindigingsmaatregel’.

De Landelijke beëindigingsmaatregel is reeds uitgekristalliseerd tot de (twee) vrijwillige Lbv- en Lbv-plus subsidieregelingen (hierna: ‘regelingen’) die op 3 juli 2023 open zijn gegaan.

De regelingen fungeren hoofdzakelijk als instrument om tot stikstofreductie te komen. Een bijkomend neveneffect van de regelingen is dat de stikstofruimte die vrijkomt als direct gevolg hiervan – eventueel én pas na de additionaliteitstoets – kan worden benut voor andere doeleinden, zoals prioritaire projecten van nationaal belang, bijvoorbeeld legalisatie van de PAS-melders.

In mijn optiek moeten we ervoor waken dat we niet weer onbedoeld een (look-a-like) PAS-situatie creëren waarmee we nu al ruim 4 jaar te kampen hebben. Hierna ga ik in op een scenario waarbij er ‘gevaar’ op de loer ligt.

AERIUS Check

Voordat de veehouderijlocatie wordt aangemeld voor deelname aan (een van) de regelingen dient er eerst en met behulp van het rekeninstrument AERIUS Check een berekening te worden gemaakt. Hieruit volgt of dat de veehouder in aanmerking komt voor (een van) de regelingen.

In beginsel geldt 2021 als referentiejaar bij de berekening. De berekening is gebaseerd op de gegevens over het (gemiddeld) aantal dieren, soort dieren en het huisvestingssysteem.

Inzet stikstofruimte

De stikstofruimte die beschikbaar komt via de deelnemende veehouderijlocaties kan en zal indien mogelijk worden ingezet voor o.a. de legalisatie van PAS-melders. De inzet/toebedeling van stikstofruimte aan een PAS-melder verdient nadrukkelijk de aandacht. Het mag niet weer (op vergelijkbare wijze) misgaan, zoals in het PAS-tijdperk door stikstofruimte ‘op de pof’ uit te geven.

Dat de berekening van 2021 is gebaseerd op de werkelijke praktijksituatie uit 2021 is vanuit bijvoorbeeld de rol van de overheid bezien op het aspect handhaving en toezicht begrijpelijk. Deze gegevens zijn immers vlot en vrij nauwkeurig verifieerbaar. De kans op fouten maken lijkt klein wanneer het gaat om simpele kwesties als staarten tellen en het checken van de stallijst en het huisvestingssysteem van de deelnemende veehouderijlocatie.

Wanneer een PAS-melder deelneemt aan een regeling is het wel opletten geblazen. Het gegeven dat de PAS-melder (vanwege de overheid) feitelijk niet legaal zijn activiteiten ontplooit, maakt nog niet dat de PAS-melder is uitgesloten van deelname aan de regeling. Voor deelname aan een regeling is het namelijk irrelevant of dat er op de deelnemende locatie een melding/natuurvergunning of toestemming anderszins aanwezig is. Ik vraag me af hoe dit uitwerkt in geval van deelname door PAS-melders.

Linksom of rechtsom?

Gaat men uit van de gegevens uit 2021? Dan ontstaat wellicht een vergelijkbare situatie als die we hebben leren kennen nadat de PAS op 29 mei 2019 is afgeschoten, omdat de overheid dan vrijgemaakte stikstofruimte van de PAS (dus feitelijke op basis van een illegale situatie) op een locatie elders gaat legaliseren.

Gevolg? Er wordt een nieuw donker hoofdstuk toegevoegd aan het (figuurlijke) boek ‘Stikstofproblematiek’ met de MOB en de veehouderijbedrijven die met legalisatie geholpen leken te worden als lijdend voorwerp.

Gaat men uit van (voor zover aanwezig) de referentiesituatie voorafgaand aan de PAS-melding? Dan zal de uiteindelijk vrijgemaakte stikstofruimte waarschijnlijk (fors) minder bedragen dan gehoopt en verwacht tegelijkertijd.

Gevolg? Meer veehouderijen zijn met subsidie beëindigd en minder PAS-melders
kunnen worden gelegaliseerd.

We blijven het stikstofdossier zoals altijd nauwlettend volgen en houden u verder op de hoogte. Vragen? Bel of mail een van onze deskundigen. Zij staan u graag te woord.