Skip to main content

Auteur: Fleur Varin

De hoogste tijd voor de vergunningvrije verduurzamings-activiteit?

Naar aanleiding van de Kamerbrief ‘Startpakket Nederland van het slot’ van 25 april 2025, ligt van 25 augustus tot en met 5 oktober 2025 een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) ter consultatie. Iedereen kan hierop reageren. Het gaat om de ‘AMvB vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten’ (hierna: ‘AMvB’)

BBB heeft genoeg van het eindeloze gedraal

We zijn er na 6,5 jaar (!) nog altijd niet in geslaagd om de stikstofpuzzel met elkaar op te lossen. Maar, er lijkt een lichtpuntje waarneembaar, want de AMvB lijkt een stapje in de goede richting te zijn. Daarbij zijn de economie, natuur en (het vestigingsklimaat voor) de bedrijvigheid in Nederland gebaat.

Laten we deze AMvB omarmen als het begin van het einde van het tijdperk, waarin de stikstofproblematiek nagenoeg onveranderd groot in stand is gebleven. Dit, ondanks alle goedbedoelde intenties van velen.

Doel van de AMvB

Het doel van de AMvB is om verduurzamingsactiviteiten mogelijk te maken, ook al leiden deze tijdelijk tot een hogere emissie.

Criteria voor vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten

Een activiteit kwalificeert als ‘vergunningvrije verduurzamingsactiviteit’, wanneer de activiteit voldoet aan onderstaande criteria:

  • Minimaal 30% reductie van de oorspronkelijke stikstofemissie van de bestaande activiteit. Het percentage kan nog wijzigen als gevolg van een nadere ecologische onderbouwing;
  • Toename van stikstofemissie is toegestaan bij de realisatiefase, mits deze tijdelijk is (hoogstens drie jaar) en niet meer dan vijfmaal de emissiereductie is na wijziging van de bestaande activiteit;
  • De activiteit mag niet gepaard gaan met uitbreiding in omvang van de bestaande activiteit, voor zover omvang verband houdt met stikstofemissie;
  • De activiteit mag niet door andere factoren significante nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000.

Relatie met natuurvergunningen

De activiteiten die zijn gericht op stikstofreductie worden beschouwd als maatregelen voor de natuur die zijn uitgezonderd van de natuurvergunningplicht.

De AMvB draagt bij aan de verduurzaming van projecten die al een natuurvergunning hebben en richt zich op activiteiten die leiden tot vermindering van stikstofemissie, zonder dat sprake is van uitbreiding in omvang van de activiteit, want dan kan een activiteit als ‘beheer van een gebied’ worden beschouwd.

Er is dan ook sprake van aanpassing van een bestaand project ex artikel 6.3 Hbr, waarvoor geen nieuwe omgevingsvergunning benodigd/vereist is.

Winstwaarschuwing: geen uitbreiding met stikstofruimte

Een winstwaarschuwing ten aanzien van de ‘stikstofwinst’ die wordt behaald met emissiereductie: de emissiereductieruimte die als gevolg hiervan ontstaat mag niet worden opgevuld met uitbreiding in omvang.

Innovatie: noodzakelijk maar kostbaar

Bovenstaande lijkt in het licht van doelmatigheid van de AMvB logisch, maar innoveren in emissie- reducerende technieken drukt aanzienlijk op de kostprijs. Daarom het volgende:

  • Investeren in innovatie is veelal een kostbare aangelegenheid.
    Als verduurzaming niet met uitbreiding mag worden bekostigd (hetgeen met het oog op doelmatigheid van de AMvB niet onredelijk lijkt) is het nodig dat de overheid ervoor zorgt dat er voldoende subsidiebudget en -(keuze)mogelijkheden bestaan.
    De aard en omvang van huidige stikstofbronnen zijn immers zeer divers, daarom is het gewenst om maatwerk te bieden, om stikstofreductie via de AMvB tot een succesverhaal te maken.

  • Veel marktpartijen willen graag stikstof reduceren, maar veelal luidt de vraag: hoe dat te doen?
    De investering in innovatie moet juridisch geborgd zijn. De resultaten van innovatie worden regelmatig in twijfel getrokken.
    Echter, innovatie is altijd een van de sleutels tot succes geweest in en voor Nederland. Het behouden of zelfs versterken van voldoende innovatiekracht is belangrijk, voor nu en in de toekomst.
    Daarom is het van belang dat ook de overheid zich blijft inzetten voor erkenning en ontwikkeling van nieuwe emissie reducerende technieken. Anders zijn we binnen de kortste keren uit-gereduceerd.

Voorbeelden van emissiereducerende technieken

Voorbeelden van de emissie reducerende technieken zijn Lely Sphere (rundveehouderij), maar ook bijvoorbeeld naverbranders, gaswassers of biofilters (industrie).

Vragen?

Als u vragen heeft over stikstof neemt u dan contact op met onze deskundigen.

Taxatie agrarisch vastgoed: deskundige waardering en advies voor het buitengebied

Wat is taxatie van onroerend goed?

Taxeren van onroerend goed is een essentieel proces binnen de vastgoedmarkt. Een betrouwbare taxatie is onmisbaar bij belangrijke vastgoedbeslissingen. Of het nu gaat om aankoop, verkoop of herontwikkeling.

Een deskundige taxateur bepaalt de marktwaarde van een object op basis van factoren zoals locatie, staat van het gebouw, recente verkoopprijzen van vergelijkbare objecten en economische ontwikkelingen.

Wanneer is een taxatierapport nodig?

Een taxatierapport is vaak nodig bij de aankoop van een woning, het verkrijgen van een hypotheek, het vaststellen van de WOZ-waarde, bij fiscale doeleinden of bij juridische procedures zoals scheidingen en nalatenschappen.

Specialisatie van Overwater Rentmeesters

Taxateurs moeten gecertificeerd zijn en werken volgens vastgestelde richtlijnen om objectiviteit en betrouwbaarheid te garanderen. Er zijn verschillende methoden van taxeren, zoals de vergelijkingsmethode, de inkomstenbenadering en de kostenbenadering, afhankelijk van het type onroerend goed.

De taxateurs van Overwater Rentmeesterkantoor zijn gespecialiseerd in onroerende zaken in het buitengebied. Met name de agrarische sector speelt daarbij een grote rol en verder alles wat in het buitengebied voorkomt, denk aan woonboerderijen, natuurontwikkeling en uitbreidingslocaties voor o.a. woningbouw, wegen of bedrijventerrein.

Belangrijkste werkzaamheden

Enkele belangrijke taken die wij uitvoeren zijn:

  • Waardebepaling van agrarisch vastgoed: dit omvat boerderijen, landbouwgrond, stallen en andere agrarische gebouwen. De taxateur beoordeelt factoren zoals bodemkwaliteit, infrastructuur en bestemmingsplannen.
  • Uitvoeren van bezichtigingen: de taxateur inspecteert het pand fysiek om de staat en eventuele bijzonderheden vast te stellen.
  • Opstellen van taxatierapporten: een gedetailleerd rapport wordt opgesteld waarin de waarde van het vastgoed wordt onderbouwd. Bij elke taxatie komt een tweede taxateur in beeld. Het kan gaan om een opname waarbij twee taxateurs betrokken zijn óf een taxatie waarbij een validatieproces volgt: in dit laatste geval controleert de tweede taxateur vanuit het bureau de taxatie van de eerste taxateur.
  • Marktanalyse: een taxateur houdt rekening met marktontwikkelingen, zoals vraag en aanbod in de agrarische sector en de daarbij behorende regelgeving.
  • Juridische en fiscale beoordeling: agrarisch vastgoed heeft vaak specifieke juridische en fiscale aspecten, zoals pachtcontracten en erfpachtconstructies.
  • Advies aan boeren en investeerders: taxateurs helpen agrariërs en investeerders bij het nemen van strategische beslissingen over hun vastgoed.
  • Bijhouden van marktontwikkelingen: om accuraat te blijven, volgt een taxateur de vastgoedmarkt en economische trends op de voet.

Kwaliteitsborging en lidmaatschappen

Een taxateur moet aan verschillende kwalificaties voldoen om professioneel vastgoed te kunnen taxeren. Hier zijn enkele belangrijke vereisten:

  • Opleiding: een taxateur moet minimaal een hbo-opleiding hebben gevolgd in een relevante richting, zoals vastgoedkunde of bedrijfseconomie.
  • Certificering: erkende taxateurs zijn gecertificeerd door het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (NRVT), dat toezicht houdt op de vakbekwaamheid en integriteit van taxateurs. Dit register stelt uniforme eisen aan toelating, educatie en doorlopend toezicht.
  • Ervaring: praktische ervaring in de vastgoedsector is essentieel. Vaak moeten taxateurs een aantal jaren werkervaring hebben voordat ze volledig gecertificeerd worden.
  • Ethiek en regelgeving: taxateurs moeten zich houden aan strikte ethische richtlijnen en regelgeving, zoals de International Valuation Standards (IVS) en de European Valuation Standards (EVS).
  • Voortdurende bijscholing: om hun certificering te behouden, moeten taxateurs regelmatig bijscholing volgen en op de hoogte blijven van marktontwikkelingen.

Naast bovengenoemde certificering, zijn de taxateurs van Overwater Rentmeesterkantoor ook verbonden aan de NVR (Nederlandse Vereniging van Rentmeesters) en de NVM (Nederlandse Vereniging van Makelaars en Taxateurs). Beide organisaties werken met strikte kwaliteitsnormen voor de taxateur.

Waarom kiezen voor Overwater Rentmeesters?

Met onze diepgaande kennis van het buitengebied, jarenlange ervaring en erkende certificeringen bent u verzekerd van een betrouwbare taxatie en helder advies. Neem vandaag nog contact met ons op – wij denken graag met u mee.

Waarom grondprijzen in uitleggebieden vrijwel nooit het probleem zijn

In het debat over de woningbouwopgave in Nederland gaat het vaak over geld. Over stijgende bouwkosten, over betaalbaarheid van woningen, en ook over de grondprijs. Maar wie dagelijks in de praktijk werkt aan de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties, met name in uitleggebieden, weet dat de prijs van de grond zelden de reden is waarom projecten stilvallen. Het echte knelpunt? De eindeloos durende procedures, als het al zover komt dat een gemeente van de provincie toestemming krijgt om in een agrarisch gebied woningen te realiseren.

De misvatting over ‘te dure grond’

Er leeft een hardnekkig idee dat woningbouw stokt omdat ontwikkelaars en gemeenten er niet uitkomen over de grondprijs. Dat grondeigenaren onredelijke bedragen vragen, dat marktpartijen speculatief kopen, of dat marktpartijen te veel willen verdienen aan de grondexploitatie. Maar in uitleggebieden, gebieden aan de randen van steden en dorpen, bedoeld voor stedelijke uitbreiding speelt dat vrijwel nooit de hoofdrol. Waarom niet?

Omdat grond in uitleggebieden vaak nog een agrarische functie heeft. De waarde van die grond vóór herontwikkeling is relatief veel lager dan in stedelijke gebieden of verouderde bedrijventerreinen. Zelfs met een forse meerwaarde door toekomstige woningbouwontwikkeling, blijft de verhouding tussen aankoopkosten en uiteindelijke woningopbrengst gunstig genoeg voor een gezonde exploitatie. Zeker als het gebied goed ontsloten is en voldoende schaalgrootte kent, zoals meestal het geval is. Een marktpartij zal een grondpositie immers pas kopen als hij weet dat hij die grondwaarde ook terug kan verdienen. Om die reden zal hij niet meer willen betalen dan dat de grond, rekening houdend met alle vervolginvesteringen en programma eisen, kan opbrengen. Natuurlijk ken ik ook voorbeelden van gebieden waar ‘te veel’ voor de grond is betaald om een gezonde gebiedsexploitatie te bewerkstelligen. Maar in verreweg de meeste gebieden is dit niet het geval. 

Waar het dan misgaat? In één woord: tijd.

De doorlooptijd van planvormingstrajecten is in Nederland dramatisch lang. Van de eerste verkenning tot de eerste paal gaan vaak 7 tot 10 jaar voorbij – en dat is als alles voorspoedig verloopt. Daarbij gaat het niet alleen om de bestemmingsplanprocedure, maar ook om goedkeuring van de provincie, stikstofberekeningen, participatietrajecten, bezwaarprocedures, juridische onzekerheden en overleg met tientallen stakeholders.

Vooral het gebrek aan regie en snelheid in bestuurlijke besluitvorming is de reden waarom er op dit moment te weinig woningen worden gerealiseerd. Gemeenten zijn vaak onderbemand, provincies stellen steeds hogere eisen, en het Rijk bemoeit zich te weinig of te laat. De wet- en regelgeving stapelt zich op, terwijl de urgentie van de woningnood juist vraagt om, uiteraard met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, versimpeling en versnelling.

De planbatenheffing helpt niet – sterker nog, ze vertraagt

In dit licht is het opvallend dat het debat zich recent weer richt op het invoeren van een vorm van planbatenheffing: een instrument waarmee de overheid een deel van de grondwaardestijging bij herbestemming wil afromen. Het idee is begrijpelijk, er is publieke waardecreatie, dus een deel van de baten moet terug naar de samenleving. Maar in de praktijk is het risico groot dat het tegenovergestelde effect wordt bereikt.

De invoering van zo’n regeling brengt juridisch complexe vraagstukken met zich mee en leidt vrijwel zeker tot onzekerheid en vertraging. Grondeigenaren zullen afwachten, procedures worden risicovoller en partijen zijn minder bereid om te investeren in het voortraject. En dat terwijl we juist nú snelheid nodig hebben.

Bovendien geldt: als de invoering van een planbatenheffing daadwerkelijk doorgaat, leidt dat vrijwel zeker tot nog méér vertraging en hogere uitvoeringskosten. Alleen al het bepalen van de hoogte van de heffing per perceel vergt een ingewikkelde, juridische en taxatie-technische exercitie. Er gaan discussies ontstaan over uitgangspunten, referentiewaarden en verdelingsvraagstukken. De ervaring leert: dat leidt tot procedures, onzekerheid en extra ambtelijke belasting. Precies wat we er op dit moment níet bij kunnen hebben.

Geen realisme in het opbrengstdenken

In dit verband werd door het FD in de eerste week van juni verwezen naar het artikel “Een planbatenheffing kan gemeenten veel opleveren” geschreven door twee economen van DNB. Het artikel schetst hoge potentiële opbrengsten voor gemeenten bij invoering van zo’n heffing. Wat daarbij echter ontbreekt, is een realistische inschatting van de keerzijden: het artikel gaat uitsluitend in op de theoretische maximale opbrengsten, en laat mogelijke tegenvallers, uitvoeringsproblemen en gedragseffecten volledig buiten beschouwing. Dit erkennen de schrijvers in hun artikel overigens zelf ook, alleen het FD neemt alleen de genoemde 8 miljard aan opbrengsten mee in haar artikel.

Daarnaast wordt in het artikel bijvoorbeeld geen rekening gehouden met het feit dat zo’n heffing in de praktijk vaak beperkt zal moeten blijven vanwege proportionaliteit, rechtszekerheid en politieke haalbaarheid. Het onderzoek en het artikel houden bovendien geen rekening met het gegeven dat veel uitleggebieden in de randstad betrekking hebben op (voormalige) glastuinbouwgebieden, die weliswaar een agrarische bestemming hebben, maar op grond van die bestemming een veel hogere waarde vertegenwoordigen dan de gebruikte referentie in het onderzoek.

Ook wordt voorbijgegaan aan het risico dat agrarische grondeigenaren, geconfronteerd met een nieuwe heffing en extra onzekerheid, eenvoudigweg besluiten om hun gronden níet (meer) te verkopen. Daarmee stokt de grondmobilisatie, met direct effect op de woningbouwambitie.

De gevolgen van traagheid

Wat betekent dit voor partijen die wel willen bouwen? Zij moeten nu al jarenlang wachten op duidelijkheid, nemen enorme planologische en financiële risico’s en investeren miljoenen in voortrajecten zonder zekerheid over realisatie. Als we blijven denken dat de grondprijs het probleem is en dat er daardoor een planbatenheffing moet worden ingevoerd dan zullen partijen voorzichtiger zijn met het doen van voornoemde investeringen. Dit heeft nog meer vertragingen tot gevolg, want de overheden hebben niet de capaciteit en de financiële middelen om de voorinvesteringen te doen.

Bovendien werkt het tijdsprobleem als een zichzelf versterkend mechanisme: hoe langer het duurt, hoe groter de kans dat marktomstandigheden veranderen, regelgeving wijzigt of stakeholders van koers veranderen. Gevolg: nóg meer vertraging, nóg hogere kosten, en uiteindelijk: uitstel of afstel

Wat moet er anders?

De oplossing ligt dus niet in het verlagen van de grondprijs – die is zelden het struikelblok. Wat nodig is:

  1. Snellere procedures: kortere doorlooptijden, heldere beslismomenten en minder ruimte voor juridisering met behoud van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
  2. Meer regie vanuit het Rijk: bijvoorbeeld via een versnellingsteam of landelijke vereenvoudiging van wetgeving.
  3. Heldere ruimtelijke keuzes: niet blijven praten over ‘waar we willen bouwen’, maar duidelijke knopen doorhakken.
  4. Duidelijke ontwikkelkaders per gebied. Dan zijn marktpartijen ook niet geneigd om te veel voor de grond te betalen.
  5. Betere ambtelijke capaciteit bij gemeenten en provincies: zodat plannen sneller beoordeeld en opgepakt kunnen worden.

Conclusie

De woningbouwopgave van Nederland zit niet vast op grondprijzen. Die zijn in uitleggebieden zelden het probleem. De echte bottleneck is het systeem: traag, complex en overgereguleerd.

Willen we echt opschalen, dan moet de focus liggen op het versnellen van planvorming en besluitvorming. Het introduceren van een planbatenheffing is misschien politiek aantrekkelijk, maar draagt op korte termijn niet bij aan versnelling – integendeel: het zal zorgen voor vertraging, hogere uitvoeringskosten en minder initiatief. Tijd is nu onze grootste vijand – en daar moeten we de strijd mee aangaan.

Aanpassing pachtprijzen 2025

Staatssecretaris van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de heer J. Rummenie, heeft de pachtnormen bekend gemaakt die gelden vanaf 1 juli 2025. Jaarlijks worden per 1 juli de hoogst toelaatbare pachtprijzen voor akkerbouw- en grasland, tuinland, agrarische gebouwen en agrarische woningen vastgesteld.

Stijging in alle pachtprijsgebieden

De pachtnormen voor los bouw- en grasland zijn gebaseerd op de bedrijfsresultaten van middelgrote en grote akkerbouw- en melkveebedrijven in de periode 2019-2023. Op basis hiervan stijgen in 13 van de 14 pachtprijsgebieden de pachtnormen 2025 ten opzichte van de pachtnormen 2024. Dit varieert van een stijging van 2% in de Bouwhoek en Hogeland, het Noordelijk weidegebied en Zuidwest-Brabant, tot 10% in de Veenkoloniën en Oldambt, en het Oostelijk veehouderijgebied. In de pachtregio IJsselmeerpolders is de pachtnorm met 5% gedaald.

In de melkveehouderij is een gemiddeld inkomensjaar (2018) vervangen door een jaar (2023) met een hoog inkomen. In de akkerbouw lag het landelijk inkomen in 2018 al ruim boven het langjarig gemiddelde; in 2023 was het inkomen zelfs nog aanzienlijk hoger.

Voor tuinland, bestemd voor bollenteelt, vollegrondsgroenteteelt en boomkwekerijen, worden twee gebieden onderscheiden: Westelijk Holland en de rest van Nederland. In beide gebieden zijn de pachtnormen voor 2025 opnieuw gestegen. In Westelijk Holland is de stijging met 8% en voor de rest van Nederland 12%.

Regionormen variëren

De regionormen variëren:

  • een verhoging van 2% tot 10% in het Noordelijk weidegebied, Bouwhoek en Hogeland, Hollands/Utrechts weidegebied, Rivierengebied en het Oostelijk veehouderijgebied;
  • een stijging van 2% tot 10% in Zuidwest-Brabant, Veenkoloniën en Oldambt, Zuid-Limburg, Zuidelijk veehouderijgebied, Centraal veehouderijgebied en Westelijk Holland
  • een daling van 5% in IJsselmeerpolders;
  • een toename van 6% tot 8% in het Waterland en Droogmakerijen en het Zuidwestelijk akkerbouwgebied.

pachtprijs gronden

  • in de gebieden met een gemengd karakter (akkerbouw en melkveehouderij) stijgt de regionorm met 2% tot 10%;
  • in de melkveehouderijgebieden neemt de regionorm toe met 2% tot 10%;
  • in de akkerbouwgebieden varieert de regionorm van -5% tot +9%.

pachtprijs gebouwen

  • De pachtprijs voor agrarische bedrijfsgebouwen wordt verhoogd met 4,58%.
  • De pachtprijs voor woningen bij pachtovereenkomsten van voor 1 september 2007 stijgt met 5,0%. Voor agrarische woningen met pachtovereenkomsten die op of na 1 september 2007 zijn ingegaan, worden de maximale huurprijsgrenzen afgeleid van het puntenstelsel uit het huurprijsbeleid voor zelfstandige woonruimten. Met de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is de jaarlijkse indexatie van de maximale huurprijsgrenzen verschoven van 1 juli naar 1 januari.

De maximale huurprijsgrenzen voor zelfstandige woonruimten zijn per 1 juli 2024 eenmalig geïndexeerd met 3,1%. Per 1 januari 2025 zijn de maximale huurprijsgrenzen geïndexeerd met 2,32%.  

Meer informatie treft u hier aan:

Platform open overheidsinformatie

De aanpassing werkt van rechtswege door in bestaande pachtovereenkomsten. De wijziging van de pachtprijs hoeft niet goedgekeurd te worden door de Grondkamer. De nieuwe pachtprijs gaat in bij aanvang van het nieuwe pachtjaar na 1 juli 2025.

Beheer van agrarisch vastgoed: onze kern sinds 1804

Het beheren van agrarisch vastgoed is al meer dan twee eeuwen de kernactiviteit van Overwater Rentmeesterskantoor. Sinds 1804 ondersteunen wij particuliere grondeigenaren, beleggers, ontwikkelaars, overheden, stichtingen en fondsen met het deskundig en duurzaam beheren van hun agrarische eigendommen. In al die jaren is onze rol meegegroeid met de tijd, ons uitgangspunt blijft onveranderd: het realiseren van optimaal rendement én zorgvuldig beheer, met oog voor de lange termijn.

Uitgebreid en professioneel beheer van agrarisch eigendom

Het beheer van agrarisch vastgoed omvat veel meer dan alleen administratief werk. Als rentmeesters vervullen wij een breed scala aan taken die bijdragen aan het optimaal functioneren van het eigendom. Denk aan het onderhouden van het contact met (erf)pachters, het incasseren van pachtgelden en erfpachtcanons, en het toezien op de staat van gebouwen en opstallen. Daarnaast verzorgen we het verhuren van jachtrechten en dragen we zorg voor een sluitende financiële verantwoording richting onze opdrachtgevers.

Bij al deze werkzaamheden fungeert de rentmeester als onmisbare schakel tussen grondeigenaar, gebruiker en overige partijen zoals waterschappen, gemeenten of leidingbeheerders. Dankzij deze verbindende rol wordt het beheer efficiënt ingericht en doen wij ons best om onze oplossingen naadloos aan te laten sluiten op de wensen van alle betrokkenen.

Specifiek beheer voor ontwikkelaars: agrarisch gebruik van gronden in afwachting van ontwikkeling

Voor ontwikkelaars en bouwers beheren wij grondposities die nog niet tot ontwikkeling kunnen worden gebracht. Deze gronden worden tijdelijk agrarisch ingezet, zodat er inkomsten worden gegenereerd én het terrein goed wordt onderhouden. De rentmeesters zorgen ervoor dat er op transparante wijze afspraken worden gemaakt met gebruikers, en stemmen periodiek af met de eigenaar over nieuwe contracten, wensen en ontwikkelingen.

Wanneer de gronden klaar zijn voor de volgende fase, zoals herontwikkeling of bebouwing, beëindigen wij het tijdelijke gebruik zorgvuldig. Zo wordt het bezit gedurende de tussenliggende jaren optimaal benut, zowel financieel als wat betreft onderhoud, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige plannen.

24/7 digitaal inzicht in uw eigendommen

Overwater Rentmeesterskantoor combineert jarenlange ervaring met moderne technologie. Op deze wijze geven wij eigenaren 24 uur per dag, 7 dagen per week toegang tot hun digitale eigendomsdossiers. Via een beveiligd klantportaal kunnen alle relevante documenten en financiële gegevens op elk gewenst moment worden geraadpleegd. Dit geeft rust, overzicht en regie; precies wat u mag verwachten van een professionele beheerpartner.

Digitaal ondertekenen: veilig, snel en duurzaam

Ook het ondertekenen van documenten is bij ons volledig gedigitaliseerd. Via ValidSign-software worden overeenkomsten en verklaringen snel, eenvoudig en veilig ondertekend, waar u zich ook bevindt. Deze duurzame oplossing versnelt de processen en verhoogt het gebruiksgemak voor zowel de eigenaar als ons kantoor. Zo combineren we moderne efficiëntie met vertrouwde betrouwbaarheid.

Samen zorgen voor goed beheer

Met meer dan 220 jaar ervaring, een breed dienstenpakket en een toekomstgerichte werkwijze is Overwater Rentmeesterskantoor uw betrouwbare partner in agrarisch vastgoedbeheer. Of het nu gaat om regulier beheer, tijdelijke oplossingen voor ontwikkelaars of het benutten van digitale mogelijkheden; wij zorgen ervoor dat uw bezit goed wordt beheerd, nu én in de toekomst.

Wilt u meer weten over wat wij voor uw eigendom kunnen betekenen? Neem gerust contact met ons op. Onze rentmeesters staan voor u klaar.

Nieuw pachtrecht in 2026?

Evaluatie en voorstellen

In de loop van de jaren hebben we u geïnformeerd over de mogelijke herziening van het pachtrecht. De eerste aanzet tot herziening van het pachtrecht werd gegeven door prof. mr. D.W. Bruil met de evaluatie van de pachtregelgeving in 2014. Sindsdien zijn er vele voorstellen gevolgd voor nieuw pachtrecht. De laatste stand van zaken is te vinden in de brief van 20 december 2024 van de heer Jean Rummenie, staatssecretaris van Landouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Plannen van de staatssecretaris

Met zijn brief informeert de staatssecretaris de Tweede Kamer over zijn plannen voor de herziening van de pachtregelgeving. Deze brief werd voorafgegaan door de notitie ‘Transitie in de pacht – voorstellen voor wijziging in de pachtregelgeving’. Deze notitie is afkomstig van de Bond van pachters en eigen grondgebruikers (BLHB), LTO Nederland, het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en de Federatie Particulier Grondbezit (FPG).

Bouwstenen voor nieuw pachtbeleid

Met de notitie heeft de staatssecretaris bouwstenen ontvangen om een nieuw pachtbeleid op te bouwen. Het wordt benadrukt dat de vier partijen geen volledige overeenstemming hebben over een nieuw pachtbeleid en de verdere uitwerking aan de politiek overlaten. In de brief gaat de staatssecretaris uitgebreid in op de verschillende zaken die van belang zijn en wat er verder nog onderzocht moet worden. Hierna komen een aantal hoofdzaken aan de orde.

Hoofdpunten van de herziening

De hoofdpunten van de eventuele herziening van het pachtrecht zijn:

  • De bestaande reguliere pachtcontracten blijven ongewijzigd, met als aanvulling de toets op agrarische bedrijfsmatigheid als de pachter de AOW-leeftijd bereikt. Als de pachter niet slaagt voor deze toets, kan de pacht worden beëindigd, zodat de grond weer beschikbaar komt voor andere agrariërs.
  • Voor nieuwe reguliere pacht is de pachtprijs vrij overeen te komen, waarbij de pachtprijs wordt gekoppeld aan een indexering. En er is de toets op agrarische bedrijfsmatigheid als de pachter de AOW-leeftijd bereikt. Met de vrije pachtprijs wordt beoogd deze pachtvorm aantrekkelijker te maken dan de huidige reguliere pacht met de gereguleerde pachtprijs, die er voor verpachters toe leidt dat het rendement wordt beperkt en vaak niet voldoende oplevert om de vermogensrendementsheffing te betalen.
  • Er komt een nieuwe duurzame langlopende pacht met een looptijd van minimaal 18 jaar, zonder continuatierecht en met een vrijere pachtprijs (nader uit te werken). Deze pachtvorm geeft pachters de zekerheid van een langjarig gebruik en verpachters de zekerheid dat de grond niet generaties lang verpacht blijft.
  • De geliberaliseerde pacht kan ook worden gebruikt voor hoeves en gebouwen en duurt maximaal zes jaar, zonder verlenging nadien. Voor losland gaat de regionorm gelden en de pachtprijs voor hoeves en gebouwen is vrij te bepalen. Door de pachtprijs voor los land onder de regionorm te brengen waardoor de pachtprijzen lager worden dan nu de agrariërs bereid zijn om te betalen voor geliberaliseerde pacht, wordt beoogd een langdurige pacht te bevorderen. Met het geliberaliseerd verpachten van hoeves en woningen gaat een grote wens van zowel verpachters als pachters in vervulling. Op deze wijze kunnen bijvoorbeeld stallen en loodsen voor korte tijd agrarisch in gebruik worden gegeven, zonder dat er een hoevepacht ontstaat.
  • Teeltpacht gaat alleen gelden voor hoogrenderende gewassen met een korte teeltcyclus en kent een vrije pachtprijs.
  • Voor gronden met bestemming en inrichting natuur komt er de natuurpacht voor minimaal zes jaar, waarbij de pachtprijs wordt gekoppeld aan de regionorm. Nader onderzoek is nodig hoe omgegaan moet worden met de vergoedingen die verstrekt worden voor het behoud van natuur en landschap.
  • De huidige pachtprijzensystematiek wordt gewijzigd. Over de gewenste wijzigingen wordt nader overlegd.

Vervolg en contact

Tot zover de hoofdpunten, de staatssecretaris verwacht eind 2025 het herzieningsvoorstel naar de Tweede Kamer te sturen, dus: wordt vervolgd!

Heeft u vragen over pacht, erfpacht of andere grondzaken? Neem contact op met onze rentmeesters!

Uit de praktijk: Tevredenheid ondanks een voorkeursrecht

In september 2024 meldde ik in een nieuwsbrief dat grondeigenaren vaak verrast worden door een vestiging van een voorkeursrecht op hun eigendom. In onze dagelijkse praktijk adviseren we grondeigenaren die te maken krijgen met deze brief.

Een recente casus: voorkeursrecht in een polder

Zo werd recent een grote polder volledig voorzien van een voorkeursrecht door een gemeente. Diverse eigenaren informeerden direct naar de mogelijkheden en bedreigingen die dit met zich meebrengt.

Op termijn zal dit voor enkele eigenaren duidelijker worden zodra de gemeente een besluit heeft genomen over de wijziging van het grondgebruik.

Voor de meeste grondeigenaren betekent deze vestiging van het voorkeursrecht dat de grond langdurig met een beperking is belast, zonder dat er voor de eigenaren iets verandert. Dit zorgt voor onzekerheid bij veel eigenaren, wat zij zullen moeten accepteren.

Een positieve ervaring met een voorkeursrecht

Dit was anders in een casus waar een grondeigenaar ook werd geconfronteerd met een voorkeursrecht van de gemeente. De gemeente heeft in een gebied een voorkeursrecht gevestigd om de landbouwgrond te gaan gebruiken voor woningbouw en voor de aanleg van een verbindingsweg.

Advies en begeleiding door ons kantoor

De grondeigenaar vroeg ons kantoor om advies, wat we met veel genoegen hebben gegeven.

We hebben voor de eigenaar getoetst of de vestiging op de juiste grondslag en binnen de juiste termijnen was vastgesteld volgens de Omgevingswet. Dit bleek het geval te zijn.

Samen met de opdrachtgever hebben we de wensen en doelen afgestemd:

  • vervangende grond aankopen
  • complete bedrijfsverplaatsing
  • herinvesteren in ander onroerend goed, of
  • de te ontvangen koopsom op een andere manier behouden.

Interesse van marktpartijen

Door de vestiging van het voorkeursrecht door de gemeente, toonden diverse marktpartijen interesse om met de grondeigenaar tot overeenstemming te komen voor aankoop en/of zelfrealisatie.

Een verkoop aan een marktpartij is mogelijk als de gemeente vrijstelling verleent voor de overdracht. Met een marktpartij worden voorwaarden afgesproken onder de voorwaarde dat er overeenstemming volgt zodra de gemeente de vrijstelling verleent.

Een marktpartij was zeer geïnteresseerd en bood een aanzienlijke koopsom voor de grond zodra het plan ontwikkeld kon worden. Dat geeft opnieuw onzekerheid bij een eigenaar. Gaat het plan wel door en wanneer? Is de marktpartij dan nog beschikbaar? Een hogere prijs voor de grond brengt meestal ook een hoger risico met zich mee. Wat is de waarde van een hoge koopsom die niet betaald wordt?

Verkoop aan de gemeente

De opdrachtgever vond de risico’s te groot en de kans van slagen te onzeker bij de marktpartij. Wel wilde hij nu de beschikking hebben over de liquiditeit om andere investeringen te kunnen doen. Met dat uitgangspunt is de grondpositie aan de gemeente te koop aangeboden, zoals vereist bij een voorkeursrecht conform artikel 9.7 Voorkeursrecht (Omgevingswet).

Definitieve overeenstemming

Met de gemeente zijn de nodige gesprekken en onderhandelingen gevoerd om tot een definitieve overeenstemming te komen waar alle partijen zich mee kunnen verenigen.

De grondeigenaar ontvangt de koopsom, de gemeente verkrijgt de gewenste grondpositie en kan het woningbouwplan op termijn verder uitvoeren. Ondertussen kan de grond agrarisch worden gebruikt.

Een positieve ervaring

Door de verkoop heeft de (voormalige) eigenaar het gewenste resultaat bereikt: een marktconforme verkoopprijs, geen risico meer over de realisatie van de woningbouw, en de mogelijkheid om te herinvesteren. Een goed resultaat waar iedereen tevreden op terugkijkt.

Hoewel het voorkeursrecht aanvankelijk als een onaangename verrassing kwam, heeft het uiteindelijk geleid tot een positieve ervaring.

Contact bij voorkeursrecht

Als u ook te maken heeft met een voorkeursrecht, komen we graag met u in contact om samen een succesvol resultaat te bereiken.

Het Didam II Arrest – het vervolg

Op 15 november 2024 heeft de Hoge Raad in de procedure die geleid heeft tot het Didam-arrest een nieuw arrest gewezen: het Didam II-arrest. In deze blog ga ik kort in op de inhoud van het Didam II-arrest. Eerst volgt een korte terugblik op het Didam-arrest.

Het Didam-arrest: hoe zat het ook al weer?

Het Didam-arrest is een arrest van 26 november 2021. Kort gezegd oordeelde de Hoge Raad dat bij verkoop van een onroerende zaak door een overheidslichaam het gelijkheidsbeginsel in acht genomen moet worden als er naar verwachting meerdere potentiële gegadigden zijn voor de onroerende zaak.

Door deze uitspraak van de Hoge Raad kan een overheidslichaam onroerend goed niet altijd één-op-één gunnen aan een partij. Voordat tot gunning kan worden overgegaan, moet in beginsel een selectieprocedure doorlopen worden, waarin aan de hand van selectiecriteria die objectief, toetsbaar en redelijk zijn, een gegadigde geselecteerd kan worden.

Het Didam II-arrest

Het Didam-arrest riep in de praktijk veel nieuwe vragen op, onder andere de vraag of de regels voortvloeiende uit het Didam-arrest, hierna de Didam-regels, ook terugwerkende kracht hebben?

In het arrest van 15 november 2024 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de volgende vragen:

  • Hebben de Didam-regels terugwerkende kracht?
  • Is een overeenkomst die in strijd met de Didam-regels gesloten is, nietig of vernietigbaar?
  • Moet de openbare selectieprocedure ook gevolgd worden als slechts één serieuze gegadigde in aanmerking lijkt te komen voor het aangaan van de (koop)overeenkomst?

Terugwerkende kracht

De Hoge Raad heeft in het Didam II-arrest geoordeeld dat de Didam-regels ook van toepassing zijn op overeenkomsten die gesloten zijn in de periode voor 26 november 2021. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel, golden immers ook al voor het Didam-arrest. De Didam-regels hebben daarmee terugwerkende kracht gekregen.

Handelen in strijd met algemene beginselen behoorlijk bestuur: overeenkomst nietig of vernietigbaar?

De Hoge Raad heeft in het Didam II-arrest geoordeeld dat een overeenkomst die in strijd met de Didam-regels gesloten is, ofwel gesloten is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet om die reden nietig of vernietigbaar is. Ondanks het feit dat de Didam-regels niet of niet goed gevolgd zijn is de overeenkomst dus wel rechtsgeldig.

Gaat het overheidslichaam over tot verkoop van de onroerende zaak zonder dat de Didam-regels in acht genomen zijn, dan handelt het overheidslichaam in beginsel onrechtmatig tegenover potentiële andere gegadigden: zij hebben immers geen gelijke kans gekregen bij de verkoop. Handelen in strijd met de Didam-regels kan leiden tot een schadeplichtigheid van het overheidslichaam tegenover een potentiële gegadigde die ten onrechte geen gelijke kans gekregen heeft.

Vroeg in het onderhandelproces tussen het overheidslichaam en de beoogde koper, voordat de overeenkomst gesloten is die de overheid verplicht tot levering, kunnen gegadigden onder omstandigheden vorderen de verkoop te blokkeren.

Hoe te handelen bij één serieuze gegadigde?

In het Didam-arrest is bepaald dat de mededingingsruimte niet hoeft te worden geboden als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat slechts één gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. Wel moet in dat geval nog wel worden voldaan aan twee (procedurele) vereisten:

  • Het voornemen tot verkoop dient tijdig voorafgaand aan de verkoop bekend te worden gemaakt op een zodanige wijze dat een ieder daarvan kennis kan nemen.
  • Daarbij dient aan de hand van de gestelde criteria te worden gemotiveerd waarom bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één gegadigde in aanmerking komt.

In het Didam II-arrest is de Hoge Raad niet afgeweken van de hiervoor gestelde regels en heeft de vereisten uit het Didam-arrest aldus bevestigd.

Hof Den Haag

De Hoge Raad heeft de zaak doorverwezen naar het gerechtshof Den Haag om verder te worden behandeld.

Didam-arrest en pacht

Tot slot is het van belang op te merken dat de Didam-regels ook toegepast dienen te worden bij het door overheidslichamen in gebruik geven van grond, bijvoorbeeld voor het sluiten van een (geliberaliseerde) pachtovereenkomst, huur of gebruik om niet.

Positieve uitspraak bestemmingsplan Valkenhorst

Raad van State oordeelt over stikstof en woningbouw Valkenhorst. Het bestemmingsplan blijft in stand en de stikstofonderbouwing is in één keer op orde.

Op 11 december 2024 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak rondom het bestemmingsplan Valkenhorst in de gemeente Katwijk. Dit bestemmingsplan, gericht op onder andere de bouw van 5.600 woningen, kende onder meer de nodige uitdagingen op het gebied van stikstof. In deze blog belicht ik de belangrijkste uitdagingen.

Achtergrond van het plan

Het plangebied van Valkenhorst beslaat 475 hectare en bevindt zich op het voormalige Marinevliegkamp Valkenburg. Het bestemmingsplan faciliteert de ontwikkeling van een woon-, werk- en recreatiegebied. Hoewel de behoefte aan nieuwe woningen groot is, staan ecologische zorgen, met name rondom stikstofuitstoot en natuurgebieden, centraal in de bezwaren tegen het plan. De Raad van State heeft zich uitgesproken over een aantal cruciale punten die van belang zijn voor de dagelijkse praktijk.

Stikstof en de natuurlijke omgeving

Een belangrijk twistpunt was de stikstofuitstoot die gepaard gaat met de ontwikkeling, de bouw en het gebruik van het gebied. Overwater Rentmeesterskantoor speelde namens de initiatiefnemers een adviserende rol bij dit plan en droeg oplossingen aan voor het stikstofprobleem.

De activiteiten in Valkenhorst liggen nabij kwetsbare Natura 2000-gebieden, zoals Meijendel & Berkheide. Volgens de Wet natuurbescherming, die van toepassing was op het moment van vaststellen van het plan, mag een nieuw plan niet leiden tot een significante verslechtering van deze natuurgebieden. Eén van de belangrijke onderdelen in de wet is stikstofdepositie op een overbelast Natura 2000-gebied.

Salderen

Het plan maakt gebruik van intern salderen, waarbij de stikstofruimte van andere, vaak agrarische, bedrijven wordt ingetrokken om de impact van nieuwe ontwikkelingen te compenseren. Dit is een gangbare praktijk binnen de stikstofregelgeving, maar vereist nauwkeurige onderbouwing.

De Raad van State stelde vast dat de gemeente Katwijk in dit geval voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de stikstofruimte daadwerkelijk beschikbaar is en dat deze compensatie rechtmatig is.

Een belangrijk aspect in deze zaak was dat de gemeente met behulp van Overwater Rentmeesterskantoor een uitvoerige onderbouwing had gemaakt van de feitelijke en juridische situatie van de agrarische bedrijven en de gronden. De onderbouwing bestond uit foto’s, een proces verbaal van een deurwaarder en stallijsten van de agrarische bedrijven. Daarnaast is een uitvoerige onderbouwing overlegd van de juridische status van de natuurtoestemmingen van de bedrijven. In vaktermen noemen we dit het onderbouwen van de referentiesituatie.

Beoogde situatie en borging

Een ander aspect dat veel aandacht kreeg in de zaak en waar de gemeente de Afdeling mee overtuigde, was de borging van de maatregelen. In het bestemmingsplan zijn verbodsbepalingen opgenomen die ervoor zorgen dat de stikstof waarmee gesaldeerd wordt, pas ingezet kan worden nadat de bestaande vergunningen zijn ingetrokken.

Tevens bevat het plan bepalingen over bouwtempo, verkeersafwikkelingen en bepalingen op het gebied van sfeerhaarden.

Randeffecten

Een element dat niet eerder in een uitspraak van de Afdeling aan de orde is geweest, betreft het element randeffecten. Stikstofdepositie wordt berekend door middel van het rekenmodel AERIUS. Dit model kent sinds de ViA15 uitspraak een vaste afkapgrens van 25 km. Dit zorgt ervoor dat iedere bron binnen het gebied in het rekenmodel na 25 km geen effect meer veroorzaakt.

Doordat de saldogevende activiteiten nooit volledig op dezelfde plaats plaatsvinden als de saldo ontvangende activiteiten, ontstaat aan de randen rekenkundig toch nog een extra stikstofdepositie. Dit noemen we randeffecten.

Deze randeffecten zijn door de gemeente uitvoerig onderbouwd doormiddel van schaduwberekeningen zonder afkap op 25 km. Deze onderbouwing werd door de Afdeling als voldoende beschouwd.

Breder perspectief: wat betekent dit voor de praktijk?

De uitspraak is onderdeel van een breder patroon waarin juridische toetsing van stikstofplannen steeds belangrijker wordt. Projecten zoals Valkenhorst tonen aan dat bouwen dichtbij een Natura 2000-gebied mogelijk is.

De stikstofproblematiek is een mogelijk struikelblok voor woningbouw en economische ontwikkeling in Nederland. Toch laat deze uitspraak zien dat, met de juiste maatregelen en een doordachte aanpak, vooruitgang mogelijk is.

De onderbouwing is hierbij van groot belang en dat is werk voor specialisten die kennis hebben van zowel de juridische als de feitelijke praktijk.

Financieren van landbouwgrond

Financiering van landbouwgrond komt aan de orde bij uitbreiding van het landbouwbouwbedrijf, bij herfinanciering en bij bedrijfsoverdracht. Bancaire financiering is traditioneel, maar steeds vaker neemt de agrariër grond in gebruik op basis van erfpacht.

Met erfpacht gaan de agrariër en de belegger langjarig een overeenkomst met elkaar aan, zodat de agrariër de grond langjarig kan gebruiken voor de onderneming en de belegger langdurig zeker is van een stabiele inkomstenstroom.

In deze blog komen de kenmerken van erfpacht en redenen om erfpacht te gebruiken door agrariër en belegger aan de orde, om een indruk te geven van agrarische erfpacht.

Wat is erfpacht voor de agrariër?

  • Erfpacht is een zakelijk recht, dat notarieel wordt gevestigd.
  • Het erfpachtrecht geeft het recht op gebruik van de landbouwgrond gedurende een periode langer dan 25 jaar.
  • Voor het gebruik van de grond betaalt de erfpachter jaarlijks de erfpachtcanon.
  • In de erfpachtovereenkomst worden de afspraken tussen de grondeigenaar en de erfpachter vastgelegd. Door de grote contractsvrijheid kunnen de afspraken specifiek gemaakt worden voor de betreffende erfpachtsituatie.
  • Het erfpachtrecht kan door de agrariër worden verkocht aan een andere agrariër.
  • Het erfpachtrecht heeft een waarde en kan als onderpand dienen bij een hypotheekrecht.

Waarom kiest de agrariër voor erfpacht?

Landbouwbedrijven worden groter en kapitaalintensiever. Om voldoende kapitaal aan te trekken voor de onderneming zien we dat er combinaties ontstaan bij de financiering van landbouwgrond, bestaande uit eigendom met bancaire financiering, pacht en erfpacht. In onze praktijk zien we dat er meerdere redenen zijn waarom ondernemers kiezen voor erfpacht.

Ondernemers die willen uitbreiden of herfinancieren kiezen voor erfpacht ten opzichte van geliberaliseerde pacht vanwege de lange gebruikszekerheid. Immers, bij erfpacht is de duur van de gebruiksperiode minimaal 26 jaar en ook 30 jaar en langer komen voor. En vaak is er de mogelijkheid om na afloop van de erfpachtduur een nieuwe erfpachtovereenkomst te sluiten of de grond te kopen.

De financieringslast is relatief laag omdat de lasten van erfpacht veelal lager zijn dan bij bancaire financiering. Bij erfpacht is de canon vaak lager dan de hypotheekrente en over de investering die de belegger doet, hoeft de erfpachter geen aflossing te betalen. Fiscale voordelen zijn mogelijk door afschrijving en reservering.

Erfpacht is ook interessant voor ondernemers die geld uit de eigen grond willen vrijmaken en het bedrijfsareaal niet willen verkleinen. Deze ondernemers kiezen voor erfpacht om dan ongeveer 70% van de huidige vrije waarde van de grond te incasseren, een erfpachtrecht te verkrijgen en op basis van deze erfpacht de gronden binnen de onderneming te exploiteren. Het vrijgekomen kapitaal is dan beschikbaar om te ondernemen. Op een later moment kan eventueel het besluit genomen worden om het erfpachtrecht te verkopen, waarmee dan opnieuw liquiditeit beschikbaar komt en het bedrijfsareaal kleiner wordt.

Waarom kiest de belegger voor erfpacht?

De grondeigenaar kiest voor erfpacht om landbouwgrond langdurig in gebruik te geven aan de agrarisch ondernemer tegen een stabiel en redelijk rendement. In vergelijking met pacht zien we dat reguliere pacht financieel niet aantrekkelijk is voor de grondeigenaar vanwege relatief lage pachtprijzen ten opzichte van de investering die de belegger moet doen.

Daarnaast is het fiscale systeem een knelpunt voor grondeigenaren die landbouwgrond regulier verpachten. Bij geliberaliseerde pacht kan bij een pachtduur tot zes jaar de pachtprijs door partijen worden afgesproken. Echter kent deze pachtvorm een looptijd van zes jaar wat voor de belegger en de agrarisch ondernemer een te korte periode is omdat beiden gericht zijn op langdurige zekerheid over het gebruik van de landbouwgrond.

Schakel tussen ondernemer en belegger

Het voorgaande geeft op hoofdlijnen inzage in agrarische erfpacht. Zowel voor de agrarisch ondernemer als de belegger kan erfpacht het instrument zijn om landbouwgrond langjarig agrarisch in gebruik te geven. Voor ondernemers die grond willen financieren op basis van erfpacht zijn beleggers beschikbaar die langjarig willen investeren in kwalitatief goede landbouwgrond.

Voor maatwerk komen we graag bij u om de mogelijkheden voor u te bespreken.