Skip to main content

Grondruil vanaf 2026: blijft de landbouwvrijstelling buiten schot?


Geschreven door
Peter de Bruin

Vanaf 2026 verandert de fiscale uitwerking van de landbouwvrijstelling bij het tijdelijk uit gebruik geven van landbouwgrond. Dat raakt onder meer agrariërs die grond ruilen voor vruchtwisseling of teeltrotatie. In dit artikel wordt aan de hand van een praktijkvoorbeeld toegelicht wat er verandert, welke voorwaarden gelden en wat dit betekent voor de praktijk.

Praktijkvoorbeeld

Een veehouder en een akkerbouwer ruilen grond. De akkerbouwer teelt aardappelen op het grasland van de veehouder, terwijl de veehouder gras teelt op grond van de akkerbouwer. Het is een herkenbare praktijkcasus. In het kader van extensivering en bodemvruchtbaarheid kan deze vorm van grondruil zelfs wenselijk zijn.

Situatie tot en met 31 december 2025

De waardestijging van landbouwgrond is in beginsel vrijgesteld van fiscale heffing, op voorwaarde dat de grond in gebruik is en blijft bij de eigenaar binnen de landbouwonderneming. In de praktijk is dat meestal de agrariër. Het uit gebruik geven van dit soort gronden werd in de praktijk toegestaan, mits dit gebeurde in het kader van vruchtwisseling. Deze regeling bestaat al geruime tijd, maar is wel aan verandering onderhevig.

In de praktijk realiseerden agrariërs en grondeigenaren die grond uitruilden (lees: ‘verpachtten’) zich niet of nauwelijks dat de toepassing van de landbouwvrijstelling mogelijk in gevaar kon komen. Daar was ook geen directe aanleiding toe, omdat er afspraken met de Belastingdienst bestonden over grondruil in het kader van vruchtwisseling. Het bedrijfsleven, waaronder de Land- en Tuinbouworganisatie LTO en de Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus VLB, maakte in 2014 een werkafspraak met de Belastingdienst. Op basis daarvan mocht het uit gebruik geven van landbouwgrond voor vruchtwisseling wél onder de landbouwvrijstelling worden gebracht. Deze afspraak was nadrukkelijk bedoeld voor het éénjarig uit gebruik geven van landbouwgrond. Voor onze veehouder en akkerbouwer bood dit voldoende fiscale borging.

Nieuwe regels vanaf 2026

Op 5 november 2025 heeft de staatssecretaris van Financiën het Besluit Landbouwproblematiek uit 2018 geactualiseerd en het nieuwe Besluit Landbouwproblematiek 2025 gepubliceerd. Kort gezegd volgt uit die actualisatie dat de waardestijging van landbouwgrond belast is in de periode waarin de grond niet dienstbaar is aan de eigen onderneming. De vrijstelling geldt wel weer vanaf het moment dat de grond opnieuw in gebruik komt bij de agrariër/eigenaar. Daardoor ontstaat een vorm van compartimentering: voor de periode waarin de grond niet dienstbaar is geweest aan de eigen onderneming, kan sprake zijn van een belaste waardestijging. Of dat daadwerkelijk aan de orde is, hangt uiteraard mede af van de vraag of de grond in die periode in waarde is gestegen.

Voorwaarden voor grondruil onder de landbouwvrijstelling

Voor situaties zoals die van de akkerbouwer en veehouder uit het praktijkvoorbeeld heeft de Staatssecretaris van Financiën een mogelijke oplossing geformuleerd.

Die oplossing houdt in dat aan alle onderstaande voorwaarden moet worden voldaan om niet in de risicosfeer van een belaste meerwaarde terecht te komen:

  • Er is sprake van een schriftelijke gebruiksovereenkomst.
  • De grond wordt maximaal voor één teelt uit gebruik gegeven; dit kan dus ook langer dan één jaar zijn.
  • Er is een noodzaak voor het uit gebruik geven in verband met de bodemgesteldheid of de kwaliteit van de te telen gewassen. Deze noodzaak moet door de grondeigenaar worden aangetoond.
  • Na afloop van de periode gaat de grondeigenaar weer hetzelfde soort gewas telen.
  • Het uit gebruik geven duurt niet langer dan strikt noodzakelijk.

Knelpunten in onze casus

Op basis van deze voorwaarden blijkt dat de melkveehouder uit onze casus niet aan alle punten voldoet. Bij het uit gebruik geven van zijn grond kan hij daarom te maken krijgen met een belaste meerwaarde. Er is immers geen noodzaak voor rotatie van zijn graspercelen: gras kan jaarlijks op hetzelfde perceel worden geteeld.

Voor de teelt van aardappelen geldt wél een verplichte rotatie. De akkerbouwer in ons voorbeeld kan naar alle waarschijnlijkheid aan de voorwaarden voldoen, maar moet hierover wel met de veehouder in gesprek. De grondeigenaar moet immers aantonen dat er sprake is van een noodzaak om de grond uit gebruik te geven. Daarmee wordt duidelijk hoe complex deze situatie in de praktijk kan zijn.

Gevolgen voor de praktijk

De ervaring leert dat door teeltrotatie steeds vaker grondruil tussen agrariërs en grondeigenaren plaatsvindt. De verwachting is dat de belangstelling hiervoor in de toekomst niet zal afnemen en mogelijk zelfs verder toeneemt, onder meer door de hoge grondprijzen. De actuele opbrengstprijzen van oogst 2025, en zo mogelijk afnemende belangstelling voor uitruil, blijven daarbij buiten beschouwing.

De vraag is echter of het nieuwe fiscale regime vanaf 2026 invloed zal hebben op het uitruilen van landbouwgronden.

Als rekening wordt gehouden met een mogelijke belaste waardestijging tijdens de periode van uit gebruik geven, kan een denkbaar scenario ontstaan waarin ‘nieuwe aardappeltelers’ op papier verschijnen. De veehouder ploegt dan zijn grasland om en gaat aardappelen telen. In de praktijk worden de aardappelen door de akkerbouwer geteeld, maar op papier – bijvoorbeeld in de Gecombineerde Opgave – geeft de veehouder deze aardappelen op. Andersom kan de akkerbouwer bijvoorbeeld gras of mais voor de veehouder telen.

Dan dringt al snel de vraag zich op van wie de aardappelen, het gras of de mais feitelijk zijn.

Of komt er wellicht toch nog een nieuwe werkafspraak tussen het bedrijfsleven en de overheid?

Conclusie

De nieuwe regels vragen om meer zorgvuldigheid bij grondruil en tijdelijk uit gebruik geven van landbouwgrond. Voor agrariërs is het belangrijk om vooraf vast te leggen waarom grondruil noodzakelijk is, afspraken schriftelijk te maken en tijdig te beoordelen of aan alle voorwaarden wordt voldaan. Overleg met een adviseur kan helpen om fiscale risico’s te beperken.