Overslaan en naar de inhoud gaan

Wie onzekerheid zaait, oogst stilstand


Geschreven door
Julian Bartels

Als rentmeester houd ik mij regelmatig bezig met het stikstofdossier. Niet alleen vanuit mijn werk, maar ook vanuit mijn achtergrond. Ik ben opgegroeid op een veehouderij en heb een agrarische opleiding gevolgd. Voor mij gaat stikstof niet alleen over modellen, vergunningen of natuurdoelen. Het gaat over ondernemers, grond, investeringen en de toekomst van het buitengebied.

Met de Kamerbrief “Weer ruimte voor boer, natuur en bouw” van 26 juni 2026 kiest het kabinet een nieuwe koers. De focus verschuift van depositiedoelen naar emissiedoelen, waarbij vergunningverlening, natuurherstel en landbouwontwikkeling nadrukkelijk met elkaar worden verbonden. Dat klinkt technisch, maar de gevolgen kunnen groot zijn. Hierna stip ik een aantal punten aan uit de Kamerbrief.

Stikstof gaat niet meer over stikstof

Een misvatting is dat stikstof alleen of vooral een vergunningendossier is. Dat stadium zijn we voorbij. Het dossier raakt inmiddels rechtstreeks aan grondwaarde, bedrijfsontwikkeling, gebiedsprocessen, financieringsmogelijkheden en investeringszekerheid. Juist daarom is dit onderwerp voor rentmeesters zo relevant. Het stikstofdossier heeft zich ontwikkeld van een technisch-juridisch vraagstuk tot een integraal gebiedsdossier, waarin ook thema’s als grond, waarderingen, water en fosfaat een belangrijke rol spelen.

De Kamerbrief onderkent dat ook. Het kabinet kiest nadrukkelijk voor een samenhangend pakket waarin emissiereductie, natuurherstel, grondgebruik en vergunningverlening niet langer los van elkaar worden benaderd, maar integraal worden bezien.

Emissieruimte wordt een waardefactor

De meest ingrijpende wijziging is wat mij betreft de introductie van bedrijfsspecifieke emissienormen. Voor de melkveehouderij wordt emissie gekoppeld aan fosfaatrechten en voor andere sectoren volgen vergelijkbare normen. Daarmee ontstaat een nieuwe realiteit. Jarenlang werd de waarde van een landbouwbedrijf bepaald door grond, gebouwen en productierechten. De komende jaren komt daar een vierde factor bij: emissieruimte(s), waarbij in de Kamerbrief wordt gesproken over koppeling daarvan aan grond, gebouwen en productierechten. Twee melkveebedrijven met dezelfde oppervlakte en hetzelfde aantal dieren kunnen straks een verschillende waarde vertegenwoordigen, afhankelijk van hun emissiepositie, reductiepotentieel en vergunningen.

Dat is een ontwikkeling die iedere ondernemer, geldverstrekker en adviseur serieus moet nemen.

Grond wordt opnieuw schaars en strategisch

Minstens zo interessant is de keuze voor grondgebondenheid en extensivering. Het kabinet wil toewerken naar een norm van 2,6 GVE (grootvee-eenheid) per hectare en zet rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden nadrukkelijk in op extensivering van de landbouw.

Voor de praktijk betekent het dat grond nóg belangrijker wordt. Extra hectares zijn straks niet alleen nodig voor productieruimte, maar ook om te voldoen aan milieunormen, vergunningseisen en toekomstig ondernemerschap. Daardoor gaan grondruil, strategische verwerving, pachtsituaties, afwaardering van grond en gebiedsgerichte samenwerking verder aan betekenis winnen. Ook dat zien we terug in de uitwerking van de Kamerbrief en de gebiedsgerichte aanpak die het kabinet voor ogen heeft.

Vertrouwen blijft de zwakke plek

Toch zit er ook een ongemakkelijke kant aan deze brief. Het kabinet spreekt over perspectief en ontwikkelmogelijkheden. Tegelijkertijd vragen veel ondernemers zich af of zij kunnen vertrouwen op toezeggingen en de houdbaarheid van overheidsbesluiten. De recente discussies over het mogelijk intrekken van natuurvergunningen in Noord-Brabant laten zien dat bestaande vergunningen niet onaantastbaar zijn en in specifieke situaties ingetrokken kunnen worden.

Dat vraagt om realisme van ondernemers en van de overheid. Een ondernemer die jarenlang investeert, innoveert en deelneemt aan gebiedsprocessen, moet erop kunnen vertrouwen dat zijn inspanningen op basis van de dan geldende wet- en regelgeving kunnen renderen. Vertrouwen is geen zachte factor meer. Vertrouwen is een economische randvoorwaarde geworden. En het stikstofdossier laat zien dat in de afgelopen jaren onzekerheid en onduidelijkheid de boventoon hebben gevoerd, terwijl duidelijkheid over ‘de stip op de horizon’ een randvoorwaarde is om te kunnen ondernemen.

Van sturen op modellen naar sturen op resultaat

De positieve kant van de Kamerbrief is dat het kabinet meer ruimte lijkt te willen geven aan ondernemerschap. Het uitgangspunt verschuift steeds meer naar doelsturing: niet langer uitsluitend voorschrijven hóe een ondernemer moet reduceren, maar vooral vastleggen welk resultaat moet worden gehaald en de uitvoering overlaten aan de ondernemer. Dat sluit beter aan bij de praktijk op het erf. Agrarische ondernemers verschillen nu eenmaal van elkaar. De ene ondernemer kiest voor managementmaatregelen, een ander voor techniek, extensivering, omschakeling of samenwerking. Die ruimte voor vakmanschap is een gezonde ontwikkeling als de spelregels helder, meetbaar en juridisch houdbaar zijn.

Tot slot

De Kamerbrief van 26 juni 2026 lost het stikstofprobleem niet op. Daarvoor zijn de opgaven te groot en de belangen te divers. Voor het eerst in lange tijd is er een opzet om vergunningverlening, landbouw, natuur en gebiedsontwikkeling in samenhang te benaderen. Dat maakt deze brief relevanter dan veel voorgaande stikstofdocumenten.

Tegelijkertijd zal het succes uiteindelijk niet worden bepaald door de omvang van het fonds, het aantal pagina’s van de Kamerbrief of de politieke ambities in Den Haag. Het succes wordt vooral bepaald op het boerenerf, aan de keukentafel en in het gebied. Daar waar ondernemers (al dan niet onvrijwillig) moeten besluiten of zij willen investeren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of doorgaan. Geef ondernemers de tijd en duidelijkheid die nodig zijn om te investeren en bied een geloofwaardig toekomstperspectief.

En juist daar ligt volgens mij de echte uitdaging: niet alleen stikstof reduceren, maar vooral weer vertrouwen en perspectief organiseren. Dat is uiteindelijk waar agrarische ondernemers, natuur én samenleving het meest bij gebaat zijn.